Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAA:2026:84

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
AUA202500930 AR
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 BWArt. 6:2 lid 1 BWArt. 6:10 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling eenvoudige gemeenschap en gebruiksvergoeding na beëindiging samenwoning zonder contract

Partijen hadden een affectieve relatie en woonden samen zonder samenlevingscontract. Zij waren gezamenlijk eigenaar van een woning die zij samen hadden gekocht met een hypothecaire lening en contante betalingen. Na beëindiging van hun relatie in 2017 kon geen onderlinge verdeling van de woning worden bereikt.

Eiseres vordert onder meer de benoeming van een taxateur, verkoop van de woning en betaling van een gebruiksvergoeding door gedaagde, die inmiddels met een nieuwe partner in de woning woont. Gedaagde verzet zich en wil de woning aan zichzelf toegewezen krijgen.

Het gerecht oordeelt dat sprake is van een eenvoudige gemeenschap die verdeeld moet worden volgens de wettelijke regels, waarbij ieder recht heeft op de helft van de woning. De stelling van gedaagde dat de eigendomsverhoudingen anders zouden zijn overeengekomen, wordt verworpen wegens gebrek aan bewijs.

De woning zal worden getaxeerd en gedaagde kan kiezen of hij de woning tegen die waarde wil overnemen. Daarnaast wordt een comparitie gelast om onder meer de taxatie en de door gedaagde betaalde hypotheeklasten en andere kosten te bespreken. De gebruiksvergoeding en overige vorderingen worden eveneens in die comparitie behandeld. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De woning wordt getaxeerd en verdeeld, met nader onderzoek naar gebruiksvergoeding en hypotheeklasten tijdens comparitie.

Uitspraak

Vonnis van 25 maart 2026
Behorend bij A.R. no. AUA202500930
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te Aruba,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn,
tegen:
[Gedaagde],
wonende te Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het inleidend verzoekschrift, met producties, van 2 april 2025;
- de conclusie van antwoord, met een productie, van 11 juni 2025;
- de conclusie van repliek, met producties, van 12 november 2025;
- de conclusie van dupliek, met producties, van 21 januari 2026;
- de akte uitlating producties tevens houdende rectificatie van typefout in voornaam eiseres van 18 februari 2026.
1.2
Vervolgens is vonnis bepaald.

2.DE FEITEN

2.1 [
Eiseres] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad. De relatie is in 2017 geëindigd.
2.2
Op 20 mei 2015 is aan [eiseres] en [gedaagde], ieder voor de onverdeelde helft, geleverd het recht van erfpacht op een perceel domeingrond gelegen te [locatie] in Aruba, kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie L nummer [sectie nummer], met het daarop gebouwde betonstenen woonhuis, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de woning).
2.3
De aankoop van de woning is gefinancierd door middel van een door partijen aangegane hypothecaire geldlening en door betaling(en) in contanten.
2.4
Het lukt partijen niet om onderling tot een verdeling van de woning te komen.

3.DE VORDERING

3.1 [
Eiseres] vordert dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. een taxateur benoemt om de woning te taxeren;
b. de verdeling van de eenvoudige gemeenschap gelast, aldus dat de woning aan een derde wordt verkocht en de netto-opbrengst wordt verdeeld, na aftrek van het bedrag van Afl. 40.000,- dat door haar in de woning is geïnvesteerd;
c. [Gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] te betalen een gebruiksvergoeding van Afl. 729,17 per maand gedurende de afgelopen vijf jaar, althans vanaf 1 november 2019;
d. [Gedaagde], in het geval de gebruiksvergoeding niet op 7% wordt gebaseerd, veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van de helft van de door [eiseres] sinds het verlaten van de woning betaalde huur;
alles vermeerderd met de wettelijke rente;
e. een onzijdige persoon benoemt indien [gedaagde] weigert aan het hiervoor onder b. gevorderde te voldoen en te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van een eventuele ‘listingagreement’ bij de makelaar, de verkoopovereenkomst en notariële akten;
f. bepaalt dat de overeenkomstig het gevorderde onder b. opgemaakte notariële akte(n) rechtsgeldig kan (kunnen) worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers;
met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.
3.2 [
Eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de eenvoudige gemeenschap moet worden verdeeld en dat zij, nu [gedaagde] al geruime tijd met zijn nieuwe partner in de woning woont, recht heeft op een gebruiksvergoeding.
3.3 [
Gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde. Hij wil dat de woning aan hem wordt toegedeeld.
3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – ingegaan.
4. DE BEOORDELING
4.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond, zonder samenlevingscontract. Ter zake van de woning is sprake van een eenvoudige gemeenschap die moet worden verdeeld volgens art. 3:166 BW Pro e.v. (titel 3.7).
4.2
Tussen partijen als informeel samenwonenden bestaat een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 BW geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in art. 6:2 lid 1 BW Pro bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Het ligt op de weg van degene die aanspraak maakt op een vergoedingsrecht om de bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat deze partij een vergoedingsrecht jegens de ander heeft.
De woning
4.3
De woning is aan beide partijen, ieder voor de onverdeelde helft, geleverd. Partijen hebben daarom beiden recht op de helft van de waarde van de woning. Gronden om van een verdeling bij helfte af te wijken zoals door [gedaagde] wordt voorgestaan, zijn niet gesteld of gebleken. Bij conclusie van dupliek heeft [gedaagde] gesteld dat hij akkoord is gegaan met het mede-eigendom onder een specifieke, maar achteraf onjuist gebleken veronderstelling, namelijk dat de inbreng van Afl. 30.000,- door [eiseres] een renteloze lening van haar ex-echtgenoot zou zijn en dat het mede-eigendom slechts zou dienen als zekerheidsstelling voor de terugbetaling van de lening aan de ex-echtgenoot. Het Gerecht gaat aan dit betoog voorbij. [Eiseres] heeft betwist dat de gelden van haar ex-echtgenoot afkomstig zijn en [gedaagde] heeft zijn stelling niet onderbouwd. Verder geldt dat [gedaagde] niet heeft gesteld dat hij zonder de door hem gestelde veronderstelling de woning niet op deze wijze zou hebben gekocht. Zijn enkele stelling dat dan “de eigendomsverhoudingen wellicht anders [waren] overeengekomen”, is daarvoor niet toereikend.
4.4
Nu [gedaagde] in de woning verblijft, ligt in beginsel in de rede dat de woning aan hem wordt toegedeeld. De woning zal moeten worden getaxeerd om de huidige waarde (de marktwaarde die zo dicht mogelijk bij het moment van verdeling is gelegen) te bepalen. Het is daarna aan [gedaagde] om te bepalen of hij de toedeling tegen die waarde wenst en zo ja, om aan te tonen dat hij de toedeling tegen die waarde (met ontslag van [eiseres] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening) ook kan financieren.
4.5
Het Gerecht ziet aanleiding een comparitie van partijen te bepalen, zodat met partijen kan worden besproken op welke wijze (een benoeming door het Gerecht of een opdracht aan een taxateur door partijen) en door welke taxateur de taxatie moet worden verricht.
De inbreng door partijen
4.6
Vast staat dat de aanschaf van de woning is gefinancierd door middel een hypothecaire geldlening en met contante gelden. [Gedaagde] heeft onderbouwd met producties gesteld dat hij Afl. 26.000,- heeft ingebracht. Dit is door [eiseres] niet weersproken. Volgens [eiseres] heeft zij Afl. 40.000,- in de woning geïnvesteerd: een bedrag van Afl. 30.000,- is betaald aan de notaris en de overige Afl. 10.000,- is volgens [eiseres] door haar aan verzekeringen in verband met de woning betaald. De betaling van Afl. 30.000,- door [eiseres] is niet tussen partijen in geschil. Wel heeft [gedaagde] betwist dat [eiseres] Afl. 10.000,- aan verzekeringen heeft betaald.
4.7
Het Gerecht begrijpt de stellingen van [eiseres] aldus, dat zij aanspraak maakt op vergoeding van de door haar in de woning geïnvesteerde gelden. Van een wettelijk vergoedingsrecht is echter geen sprake, nu de wettelijke regeling van vergoedingsrechten van echtgenoten (zoals neergelegd in Titel 6 van Boek 1 BW) niet van toepassing is op samenlevers, zoals partijen. Dat partijen onderling afspraken hebben gemaakt is gesteld noch gebleken en evenmin zijn door [eiseres] bijzondere feiten of omstandigheden gesteld voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dat [eiseres] jegens [gedaagde] een vergoedingsrecht heeft kan dan ook niet worden gezegd. Of en in hoeverre [eiseres] meer heeft betaald dan het erkende bedrag van Afl. 30.000,-, kan dan ook in het midden blijven.
De hypotheeklasten en andere eigenaarslasten
4.8
Als onweersproken staat vast dat de hypothecaire geldlening door partijen gezamenlijk is aangegaan en dat [gedaagde] steeds de hypotheeklasten heeft betaald. Op grond van artikel 6:10 lid 2 BW Pro zijn hoofdelijke schuldenaren, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hen in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht om in de schuld en in de kosten bij te dragen. Draagt een van hen meer bij dan zijn aandeel, dan verkrijgt diegene een regresvordering op de ander. [Gedaagde] heeft in beginsel dan ook een regresvordering op [eiseres] verkregen.
4.9 [
Gedaagde] zal worden opgedragen voorafgaand aan de comparitie stukken van de hypotheeknemer (de bank) te overleggen waaruit blijkt welke rentelasten en aflossingen vanaf het aangaan van de hypothecaire geldlening tot op heden door hem zijn betaald en wat op dit moment de restantschuld is. Ook deze stukken zullen tijdens de comparitie van partijen worden besproken.
4.1
Verder dient [gedaagde] voorafgaand aan de comparitie stukken in het geding te brengen met betrekking tot de gestelde door hem gedane betalingen ter zake van de grondbelasting en erfpachtcanon.
Slotsom
4.11
Tijdens de hierna te bepalen comparitie van partijen zal in elk geval aan de orde worden gesteld de (wijze van) taxatie van de woning en de door [gedaagde] betaalde rentelasten en aflossingen ter zake van de hypothecaire geldlening. Ook ter zake van de overigens opgeworpen stellingen, zoals ten aanzien van de gebruiksvergoeding, zullen vragen kunnen worden gesteld.
4.12
Indien de verzochte stukken door [gedaagde] niet in het geding worden gebracht, kan het Gerecht daaraan de gevolgen verbinden die het geraden acht. Ditzelfde geldt indien een partij niet ter comparitie verschijnt.
4.13
Voor de comparitie wordt in beginsel één uur uitgetrokken. Partijen kunnen hun zaak ter comparitie vijf minuten bepleiten. Als een partij de vastgestelde spreektijd overschrijdt, kan de rechter haar het woord ontnemen.
4.14
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
5.1
gelast een verschijning van partijen voor het geven van inlichtingen en/of ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. T.A.M. Tijhuis, rechter, op
woensdag 22 april 2026 om 09:00 uurin
zaal Avan het in Aruba te J.G. Emanstraat nr. 51 gelegen gerechtsgebouw;
5.2
bepaalt dat [eiseres] en [gedaagde] dan in persoon aanwezig moeten zijn, desgewenst met gemachtigden;
5.3
draagt [gedaagde] op de hiervoor in 4.9 en 4.10 genoemde stukken voorafgaand aan de comparitie van partijen tijdig in het geding te brengen;
5.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 25 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.