ECLI:NL:OGEAA:2026:175

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
AUA202503123 AR
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inzake onrechtmatige opname en gebruik van gelden op en/of-bankrekening

Eiser stelt dat gedaagde zonder zijn toestemming een bedrag van Afl. 60.041,02 heeft opgenomen van een en/of-bankrekening die op naam van beiden staat, en dat dit geld voor hem was gespaard. Gedaagde betwist dit en voert aan dat de rekening oorspronkelijk een gezamenlijke rekening was van hem en de moeder van eiser, en dat eiser geen toegang had tot de gelden.

Eiser baseert zijn vordering op onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking en eventueel zaakwaarneming of onverschuldigde betaling. Hij vordert betaling van het bedrag vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten. Gedaagde verzet zich tegen de vordering.

Het gerecht oordeelt dat eiser onvoldoende concrete en bewijsbare feiten heeft aangevoerd om zijn stellingen te onderbouwen. Het bestaan van WhatsApp-berichten waarop eiser zich beroept, wordt betwist en onvoldoende bewezen. Ook is niet vastgesteld dat het genoemde bedrag ooit op de rekening heeft gestaan of door gedaagde is opgenomen.

Daarom wijst het gerecht de vordering af en compenseert de proceskosten, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Vordering tot betaling van geldbedrag wegens onrechtmatige opname van bankrekening wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Vonnis van 17 juni 2026
Behorend bij A.R. AUA202503123 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiser],
te Aruba
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
procederend in persoon,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. P.M.E. Mohamed.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het inleidend verzoek, met producties, van 26 september 2025;
- de conclusie van antwoord van 21 januari 2026;
- de rolbeschikking van 11 februari 2026 waarbij een comparitie van partijen is bepaald.
1.2
De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Partijen zijn verschenen, [gedaagde] bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Mohamed voornoemd.
1.3
Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.

2.DE FEITEN

2.1 [
Gedaagde] heeft of had een relatie met de moeder van [eiser], mevrouw [moeder van eiser] (hierna: [moeder van eiser]). [Eiser] is op [geboortedatum] 2017 meerderjarig geworden.
2.2
Bij de Caribbean Mercantile Bank (hierna: de CMB) bestaat een en/of-bankrekening op naam van [eiser] en [gedaagde]. [Eiser] is in 2024 van het bestaan van deze rekening op de hoogte geraakt en heeft op 11 november 2024 van CMB toegang tot de rekening gekregen.
2.3
Bij brief van 25 juni 2025 is namens [eiser] als volgt aan [gedaagde] geschreven:
“Client de heer [eiser] heeft zich tot mij gewend e mij verzocht in navolgende kwestie te bemiddelen.
(…) [Ik] richt (…) mij tot u met betrekking tot de spaarrekening die (ook) op naam van client [is] geopend bij de Caribbean Mercantile Bank (CMB). Uit uw eigen verklaring (WhatsApp berichten) blijkt dat u deze spaarrekening in het belang van client had geopend en daarop stelselmatig bedragen had gestort, met het oog op zijn financiële toekomst.
Op 11 november 2024, bij het openen van zijn eigen rekening courant (toen hij meerderjarig werd), werd client door CMB geïnformeerd dat hij gerechtigd was tot genoemde spaarrekening die reeds bestond. Tot de verbazing van client bleek dat er slechts een saldo van Afl. 32.200,- op stond, terwijl hij – op basis van uw verklaringen en bank statements – Afl. 92.241,02 had moeten aantreffen. Het verschil van Afl. 60.041,02 is dan ook zonder zijn toestemming en buiten zijn medeweten om door u opgenomen en aangewend.
Tot overmaat van ramp werd client vervolgens aangesproken door u over het gebruik van zijn eigen geld, hetgeen hij als uiterst verwarrend en onrechtvaardig heeft ervaren.
Hierbij wordt u gesommeerd om het bovengenoemde bedrag van Afl. 60.041,02 binnen een termijn van 14 dagen na dagtekening van deze brief volledig aan hem terug te betalen (…).”
2.4 [
Gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.

3.DE VORDERING

3.1 [
Eiser] vordert dat [gedaagde], uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld:
a. tot betaling aan hem van Afl. 60.041,02, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2024 tot de dag van volledige betaling;
b. tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten;
c. in de (na)kosten van het geding.
3.2 [
Eiser] stelt dat zijn vordering is gebaseerd op “onrechtmatige daad (…), nu gedaagde zonder toestemming gelden van eiser heeft opgenomen en voor eigen doeleinden heeft aangewend. Ongerechtvaardigde verrijking (…), nu gedaagde zich ten kosten van eiser heeft verrijkt. Eventueel zaakwaarneming of onverschuldigde betaling.”
3.3 [
Gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.
3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4. DE BEOORDELING
4.1 [
eiser] stelt ter onderbouwing van zijn vordering dat hij recht heeft op de gelden op de en/of-rekening, omdat [gedaagde] hem heeft verteld dat dit geld voor hem, [eiser], is gespaard.
Dit is echter door [gedaagde] weersproken. Volgens [gedaagde] is de bankrekening lang geleden als een gezamenlijke rekening van hem en [moeder van eiser] geopend en is deze rekening vanwege de vrees voor schuldeisers van [moeder van eiser] in 2006 op naam van (de toen nog minderjarige) [eiser] (en [gedaagde]) gezet. [Gedaagde] betwist ook dat hij [eiser] op enig moment (al dan niet via WhatsApp) heeft gezegd dat hij die gelden voor hem heeft gespaard. Wel was voor [eiser] een kinderspaarrekening geopend waarop voor hem is gespaard, maar dit betreft een andere rekening en die gelden zijn al door [eiser] verbruikt. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] nooit toegang tot de bankrekening had (totdat de bank dat in november 2024 veranderde) en dat door [moeder van eiser] aan [eiser] is gezegd dat hij niet aan de gelden mocht komen. Ook [eiser] heeft desgevraagd verklaard dat zijn moeder hem heeft gezegd dat hij de gelden niet mocht opnemen. Gelet hierop en op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] dat de gelden op de rekening voor [eiser] zijn, kan de stelling van [eiser] niet slagen. Nu [eiser] zijn stelling niet, althans onvoldoende met concrete, voor bewijs vatbare feiten en/of omstandigheden heeft onderbouwd, is voor bewijslevering geen plaats. In de (hiervoor in 2.3 aangehaalde) brief van 25 juni 2025 wordt weliswaar over WahtsApp berichten gerept, maar [gedaagde] heeft het bestaan daarvan betwist en [eiser] heeft niets, althans onvoldoende concreets aangevoerd waaruit (een begin van bewijs van) het bestaan daarvan blijkt.
4.2
Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden gezegd dat [eiser] recht heeft op de gelden van de en/of-rekening bij de CMB. Daarenboven geldt dat op geen enkele wijze concreet is onderbouwd dat op enig moment het bedrag van Afl. 92.241,02 op de rekening heeft gestaan en evenmin dat deze gelden door [gedaagde] zijn opgenomen en ten behoeve van zichzelf zijn besteed. De brief van 25 juni 2025 is voor een dergelijke vaststelling onvoldoende.
4.3
Nu de stellingen van [eiser] niet kunnen slagen, wordt zijn vordering afgewezen.
4.4
In de aard van de relatie tussen partijen ziet het Gerecht aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
5.1
wijst het gevorderde af;
5.2
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 17 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.