Uitspraak
1.HET PROCESVERLOOP
2.DE FEITEN
Partnership Agreement” (hierna: het document). Artikel 1 en Pro 2 van dit document - dat door partijen niet is ondertekend - vermeldt het volgende:
Business Plan for [locatie]wordt [eiser] aangeduid als “founder/owner”.
“Partnership Agreement”bestaat en dat [eiser] geen vordering op haar heeft.
3.HET GESCHIL
4.DE BEOORDELING
Partnership Agreement”, zoals hierboven vermeld, niet door partijen is ondertekend. Het Gerecht stelt voorop dat voor het bestaan van een samenwerkingsovereenkomst de ondertekening daarvan niet vereist is. Van belang is of partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de in het document opgenomen afspraken en daarmee blijk hebben gegeven van instemming met de inhoud daarvan. Volgens [eiser] zijn er meerdere omstandigheden die erop wijzen dat partijen uitvoering hebben gegeven aan het document. Zo heeft hij als medeoprichter en mede-eigenaar van de onderneming overeenkomstig artikel 4 van Pro het document Afl. 45.000,-- kapitaalbijdrage in de onderneming ingebracht. [Eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar de door hem als productie overgelegde brief van 11 oktober 2024 van de gemachtigde van [gedaagde], waaruit blijkt dat hij een bedrag van Afl. 15.000,-- ter beschikking heeft gesteld en naar de door [gedaagde] als productie overgelegde kredietovereenkomst met de stichting Qredits Microfinanciering Nederland (hierna: Qredits), met leningnummer [leningnummer]. Het Gerecht kan de stelling van [eiser] niet volgen en overweegt daartoe als volgt. Uit de kredietovereenkomst blijkt dat [gedaagde] - namens de onderneming - de overeenkomst als kredietnemer heeft ondertekend en daarom juridisch primair aansprakelijk is voor terugbetaling van de lening, terwijl [eiser] uitsluitend heeft getekend als borgsteller voor de lening van de onderneming. Dit kan naar het oordeel van het Gerecht niet als inbreng (kapitaalbijdrage) in de zin van artikel 4 van Pro het document worden beschouwd, nu [eiser] hiermee feitelijk geen kapitaal in de onderneming heeft ingebracht dat direct onderdeel van het vermogen van de onderneming is geworden. De stelling van [eiser] dat hij als borgsteller mogelijk tot terugbetaling van de lening kan worden aangesproken en dat zijn handeling daarom als kapitaalinbreng dient te worden beschouwd, kan niet gevolgd worden, nu de mogelijke terugbetaling van de lening een onzekere (toekomstige) omstandigheid betreft en die betaling bovendien plaatsvindt op basis van borgstelling en niet als oorspronkelijke kapitaalstorting. Het Gerecht is derhalve van oordeel dat [eiser] niet voldaan heeft aan de afspraak zoals vastgelegd in artikel 4 van Pro het document, met als gevolg dat niet gezegd kan worden dat een samenwerkingsovereenkomst (stilzwijgend) tot stand is gekomen. Dat [eiser] Afl. 15.000,-- ter beschikking heeft gesteld, maakt het voorgaande niet anders. Artikel 4.2 van het document bepaalt immers dat [eiser] een kapitaalbijdrage van Afl. 35.000,-- moest inbrengen, hetgeen hij niet heeft gedaan.
founder” wordt vermeld. Overigens is onbetwist gesteld dat de onderneming als eenmanszaak is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel op naam van [gedaagde]. Hieruit volgt dat [gedaagde] eigenaar is van de onderneming, hetgeen meebrengt dat geen sprake kan zijn van een vof. Niet is gebleken dat de eenmanszaak op een gegeven is opgehouden te bestaan of dat de activiteiten daarvan zijn overgedragen naar een door partijen opgerichte vof.
salary” wordt aangeduid, en de vergoeding overigens ook uit hoofde van een andere rechtsverhouding uitbetaald had kunnen worden. Het voorgaande in aanmerking genomen is het Gerecht van oordeel dat geen sprake is van wanprestatie en dat de vorderingen van [eiser], die allen gegrond zijn op de stelling dat tussen partijen een samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen, zullen worden afgewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden.