ECLI:NL:OGEAA:2026:163

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
159 van 2026
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 VuurwapenverordeningArt. 177u Wetboek van StrafvorderingArt. 413 Wetboek van Strafvordering ArubaArt. 1:19 Wetboek van Strafrecht ArubaArt. 1:20 Wetboek van Strafrecht Aruba
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak vuurwapenbezit en veroordeling handel en bezit hennep in Aruba

De verdachte werd beschuldigd van het bezit van vuurwapens op twee momenten en van handel en bezit van hennep in Aruba tussen mei en november 2025. Na twee zittingen oordeelde het Gerecht dat het bewijs voor vuurwapenbezit onvoldoende was, mede door onduidelijkheid over de authenticiteit en locatie van de bewijsmateriaal, en sprak de verdachte vrij van dit feit.

Voor het bezit en de handel in hennep achtte het Gerecht het bewijs, waaronder foto's en WhatsApp-berichten, wettig en overtuigend. De verdachte erkende het bezit en de verkoop van marihuana in de periode van september tot november 2025.

De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder onrechtmatigheden rond het gebruik van IMSI-catchers en IMEI-nummers, maar deze werden verworpen. Het Gerecht oordeelde dat het gebruik van de IMSI-catcher niet aan de Arubaanse ministeriële regeling voldeed, maar dat dit geen bewijsuitsluiting rechtvaardigde.

De straf werd vastgesteld op 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, rekening houdend met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarnaast werd de inbeslaggenomen mobiele telefoon verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van vuurwapenbezit en veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, voor handel en bezit van hennep.

Uitspraak

Parketnummer: P-2025/02230
Zaaknummer: 159 van 2026
Uitspraak van: 29 juni 2026 (op tegenspraak)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], op het adres [adres],
thans gedetineerd in het [detentieplaats],
hierna: de verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 mei 2026 en 8 juni 2026.
Ter terechtzitting waren aanwezig de officier van justitie mr. A. Vroombout, de verdachte en zijn raadsman, mr. V.A.V. Carlo, advocaat in Aruba.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 8 juni 2026- ten laste gelegd:
1.
dat hij omstreeks de periode van 1 mei 2025 tot en met 27 november 2025 in Aruba, opzettelijk hennep, althans enige gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, heeft verkocht, in bezit en/of aanwezig heeft gehad;
2.
dat hij op of omstreeks 6 augustus 2025 en 24 november 2025 in Aruba, een revolver en/of een (semi-automatische) geweer, in elk geval een of meer vuurwapens als bedoeld in artikel 3 lid 1 van Pro de Vuurwapenverordening, voorhanden heeft gehad.

3.Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Het preliminaire niet-ontvankelijkheidsverweer van de verdediging is mondeling afgewezen ter terechtzitting van 20 mei 2026. De raadsman heeft dezelfde argumenten bij pleidooi herhaald, maar er is geen reden daar nu anders over te oordelen. De beweerde vormverzuimen zijn ofwel niet als verzuimen beoordeeld, ofwel inmiddels hersteld, ofwel verzuimen die niet zien op het recht op een eerlijk proces en daarom niet raken aan de ontvankelijkheidsvraag. Het Openbaar Ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging.

4.Beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van de onder feit 2 genoemde revolver op of omstreeks 6 augustus 2025
.Ten aanzien van dat gedeelte is vrijspraak gevorderd door de officier van justitie.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten, nu het tenlastegelegde wettig noch overtuigend kan worden bewezen. De verweren van de verdediging zullen, waar nodig, hieronder besproken worden.
4.3
Het oordeel van het Gerecht
Feit 2
Vrijspraak
De tenlastelegging ziet op vuurwapenbezit op twee data: 6 augustus 2025 en 24 november 2025.
Overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie acht het Gerecht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op of omstreeks 6 augustus 2025 schuldig heeft gemaakt aan het voor handen hebben van een revolver, zodat hij van dat deel wordt vrijgesproken.
Ten aanzien van het ten laste gelegde voorhanden hebben van een (semi-automatisch)
vuurwapen op of omstreeks 24 november 2025 overweegt het Gerecht als volgt. De tenlastelegging ziet voor wat betreft deze datum – kort gezegd – op een foto die in de mobiele telefoon van de verdachte is aangetroffen. Deze foto is in het dossier opgenomen in bijlage 8 bij het proces-verbaal van bevindingen van 15 januari 2026 met documentcode [documentcode] en is genummerd als foto 12. Op deze foto is een persoon te zien die in zijn rechterhand een (semi-automatisch) vuurwapen vasthoudt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inderdaad de persoon is op die foto. Dit betrof volgens hem een foto die twee jaar geleden is genomen in Colombia. Verdachte stelde niet te weten of het om een echt vuurwapen ging of niet. Het Gerecht plaatst grote vraagtekens bij deze verklaring. Verdachte is pas op zitting met deze verklaring gekomen en was niet in staat of bereid om bij doorvragen verdere details te geven over de omstandigheden waaronder hij het wapen in bezit had. Dat gezegd hebbende, is op grond van het dossier niet bewezen dat verdachte het wapen voorhanden heeft gehad op de ten laste gelegde plaats (Aruba) en in de ten laste gelegde periode, omdat de foto niet gekoppeld kan worden aan een datum en een locatie. Dat wordt als volgt toegelicht.
Blijkens het proces-verbaal is de betreffende foto afkomstig uit een Snapchat-album in de telefoon van verdachte. Er zijn geen metadata van deze foto beschikbaar. Door de officier van justitie wordt de foto wat tijd en plaats betreft gekoppeld aan foto 15, waarvan wél metadata beschikbaar zijn, en waarvan geconstateerd kan worden dat die foto op 5 november 2025 is gemaakt vlak bij de woning van verdachte. Het Gerecht oordeelt echter dat niet buiten redelijke twijfel vastgesteld kan worden dat het wapen dat zichtbaar is op foto 12 hetzelfde wapen is als die op foto 15:
- op foto 12 is een draagbeugel zichtbaar, op foto 15 niet;
- op foto 12 is een korte, rechte patroonhouder te zien, terwijl op foto 15 een lange gekromde patroonhouder zichtbaar is; en
- op foto 12 lijkt de kolf van het wapen min of meer rechthoekig, terwijl op foto 15 een driehoekige vorm te zien is.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op foto 15 niet een echt vuurwapen vasthoudt, maar een soort houten mal. Het Gerecht stelt vast dat het dossier geen proces-verbaal bevat waarin is onderzocht of het op foto 15 om een echt vuurwapen gaat. Opgemerkt moet worden dat het gaat om een foto die in het donker is genomen en waarop alleen een zwart silhouet van (mogelijk) een vuurwapen te zien is. Verdachte heeft ter terechtzitting een foto overgelegd van de houten mal. Het Gerecht sluit niet uit dat op foto 15 – gezien de uiterlijke kenmerken, voor zover zichtbaar – inderdaad een houten mal van een vuurwapen te zien is. Als dat zo is, kan niet geconcludeerd worden dat verdachte een echt vuurwapen in zijn hand heeft en ook niet een soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp; de houten mal is immers evident nep.
Het Gerecht komt dan ook tot de conclusie dat op basis van het procesdossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte op of omstreeks 24 november 2025 op Aruba het ten laste gelegde vuurwapen voorhanden had, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Feit 1
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, met dien verstande:
dat hij omstreeks de periode van
11 juni2025 tot en met 27 november 2025 in Aruba, opzettelijk hennep
, althans enige gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, heeft verkocht, in bezit en/of aanwezig heeft gehad.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (
cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.
Bewijsoverweging ten aanzien van de pleegperiode
Na aanvankelijk te hebben ontkend, heeft de verdachte ter terechtzitting – uiteindelijk – verklaard dat hij in de periode van september tot en met november 2025 hennep voorhanden heeft gehad en ook een aantal keer heeft verkocht in de maand oktober 2025. In dat verband heeft de verdachte tevens erkend dat hij de marihuana op Snapchat heeft aangeboden met foto en prijzen, zie het proces-verbaal van bevindingen van 15 januari 2026 met documentcode [documentcode], bijlage 5, foto 3 van het dossier, welke foto overigens een bestandsnaam eindigend op
.JPGdraagt (hierna relevant).
Het Gerecht acht op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de in de telefoon aangetroffen foto’s van pakketten marihuana en gevoerde (Whatsapp) communicatie, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van 11 juni 2025 (datum van foto 7 in de hiervoor genoemde bijlage 5) tot en met 27 november 2025 (de dag van de aanhouding van verdachte), en daarmee een periode van ruim vijf maanden, schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde.
Verweren verdediging
IMEI-nummers
De raadsman heeft aangevoerd dat in het dossier verschillende IMEI-nummers (eindigend op *8200 respectievelijk *8207) voorkomen. In de beginfase van het onderzoek is (na een machtiging van de rechter-commissaris voor hetzelfde IMEI-nummer) gebruik gemaakt van een telefoontap op IMEI-nummer [nummer 1]. Bij inbeslagneming bleek de telefoon van verdachte echter het IMEI-nummer [nummer 2] te hebben. Volgens de raadsman heeft de tap op een andere (mogelijk niet bestaande) telefoon dan de telefoon van verdachte, geleid tot een onterechte aanhouding van verdachte. En de gegevens uit zijn in beslag genomen telefoon kunnen dus niet voor het bewijs gebruikt worden, aldus de raadsman.
Dit verweer wordt verworpen. Op verzoek van het Gerecht is door een operationeel specialist van het Recherche Samenwerkingsteam een aanvullend proces-verbaal opgesteld over de verschillende IMEI-nummers. Hieruit blijkt, kort gezegd, dat het laatste (15e) getal in dit verband niet relevant is en slechts een controlegetal betreft. Door de aanbieders van mobiele telefonie wordt het controlegetal in het mobiele netwerk gelezen als een ‘nul’. Daardoor is een verkregen IMEI-nummer uit een telefoontap niet gelijk aan het werkelijke IMEI-nummer; er wordt gewerkt met een ‘nul’ terwijl het om een ander nummer kan gaan. Het laatste getal kan via de “Luhn-formule” berekend worden. Toegepast op de eerste 14 getallen van het IMEI-nummer in dit dossier, betreft het controlegetal ‘7’. Dat komt dus precies overeen met het IMEI-nummer van de bij verdachte in beslag genomen telefoon.
En ook de feitelijke gang van zaken toont aan dat geen sprake is geweest van een telefoontap op een telefoon die niet aan verdachte toebehoorde. Het relevante IMEI-nummer is door de politie immers achterhaald via een telefoontap op het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1]. Verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat dat inderdaad zijn telefoonnummer is. En ten slotte is de betreffende telefoon bij de verdachte zelf aangetroffen. Er is ten aanzien van de IMEI-nummers dus geen sprake van een verzuim en bewijsuitsluiting is niet aan de orde.
IMSI-nummers en telefoonnummers
Ter terechtzitting is door de raadsman betoogd – kort en zakelijk weergegeven – dat het dossier enkel machtigingen van de rechter-commissaris bevat voor het tappen van de telefoonnummers eindigend op [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2], terwijl het dossier ook onderzoeksbevindingen bevat waarbij andere telefoonnummers zijn gebruikt. Naar het oordeel van het Gerecht is ook in dit opzicht geen sprake van vormverzuimen. Via de telefoontap op het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is het IMEI-nummer [nummer 1] / [nummer 2] achterhaald. Een IMEI-nummer is een identificatienummer van een mobiele telefoon. Vervolgens heeft met machtiging van de rechter-commissaris een telefoontap op de telefoon met dit IMEI-nummer plaatsgevonden. Het tappen van de telefoon is dus gedekt door de machtiging van de rechter-commissaris, ook als de telefoon andere telefoonnummers gebruikt dan [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]. En overigens zijn veel onderzoeksbevindingen niet afkomstig van de tap, maar van het uitlezen van de telefoon na inbeslagneming daarvan.
De raadsman heeft verder aangevoerd dat bij het inzetten van de IMSI-catcher is gebleken dat het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] gebruik maakte van een IMSI-nummer eindigend op [nummer 3], terwijl het IMSI-nummer van de sim-kaart in de bij verdachte in beslag genomen telefoon eindigt op [telefoonnummer 3]. Deze vaststelling doet niet ter zake. Een IMSI-nummer is een identificatienummer van een sim-kaart. Een sim-kaart kan eenvoudig verwisseld worden. Ook in dit opzicht is dus geen sprake van een verzuim.
IMSI-catcher
De raadsman heeft aangevoerd dat het gebruik van de IMSI-catcher onrechtmatig is geweest en dat de hieruit voortvloeiende bevindingen moeten worden uitgesloten van het bewijs.
Een IMSI-catcher is een apparaat dat fungeert als een soort mobiele telefoonmast en mobiele telefoons in de buurt dwingt om verbinding te maken met zijn signaal. Hierdoor kan de IMSI-catcher informatie verzamelen over de mobiele telefoons die er verbinding mee maken. In casu is het IMEI-nummer van de telefoon van verdachte achterhaald door gebruik van de IMSI-catcher. De rechtsgrond voor gebruik van de IMSI-catcher is artikel 177u Wetboek van Strafvordering. Op grond van dit artikel kan de officier van justitie een opsporingsambtenaar bevelen dat met behulp van
bij regeling van de Minister omschreven apparatuur, het nummer waarmee een gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen.
Door de raadsman is aangevoerd dat de IMSI-catcher niet is opgenomen in enige Ministeriële Regeling, zodat geen sprake is van
bij regeling van de Minister omschreven apparatuur.Het Gerecht verwerpt ook dit verweer en licht dat als volgt toe.
Op zichzelf is juist dat er in Aruba geen Ministeriële Regeling is over de IMSI-catcher. Het gebruik van de IMSI-catcher voldoet in zoverre niet aan de eisen die de Arubaanse wet stelt. Dat is een onherstelbaar vormverzuim. De vraag is echter welke consequenties dit moet hebben. Op grond van artikel 413 van Pro het Wetboek van Strafvordering van Aruba, geldt als uitgangspunt dat een onherstelbare normschending zonder gevolgen blijft. Maar als sprake is van schending van voor de procesvoering wezenlijke normen, kan de rechter na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, beslissen tot strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Daarbij geldt op grond van jurisprudentie als uitgangspunt dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak. Dat betekent ook dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg (vgl. ECLI:NL:HR:2020:1889).
Bij voornoemde afweging van belangen dient de rechter te letten op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat hierdoor wordt veroorzaakt. Indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, zal in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg behoeven te worden verbonden aan het verzuim (de ‘Schutznorm’, vgl. ECLI:NL:HR:2004:AM2533). In dit verband verdient opmerking dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang.
Het Gerecht overweegt dat van de kant van verdachte in dit verband geen belangen zijn aangevoerd. En de regeling op grond waarvan de IMSI-catcher eerst moet worden aangemeld bij de Minister, dient niet het belang van verdachte, maar het belang van de telecommunicatie in Aruba: voorkomen moet worden dat het telecommunicatieverkeer op een onwenselijke manier wordt verstoord. Verdachte kan zich daarom niet zonder nadere onderbouwing beroepen op een schending van deze norm.
Bij deze stand van zaken zal het Gerecht volstaan met een constatering van het verzuim. Uiteraard is het wel wenselijk dat de bedoelde Ministeriële Regeling voor het gebruik van de IMSI-catcher alsnog tot stand komt, maar dat is aan de Minister.
Machtigingsperiode
De raadsman heeft aangevoerd dat foto’s zonder metadata buiten beschouwing dienen te blijven, omdat niet kan worden vastgesteld dat zij binnen de machtigingsperiode van de beslissing van de rechter-commissaris vallen. Deze stelling miskent dat in de machtigingen van de rechter-commissaris expliciet is bepaald dat deze zich uitstrekken over gegevens waarvan de tijdstempel technisch niet te herleiden is. Het verweer wordt verworpen.
Bestandsformaat
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat een iPhone foto’s maakt met bestandsformaat ‘.HEIC’. Verdachte was in het bezit van een iPhone. Dit betekent volgens de raadsman dat alleen de foto’s met dat bestandsformaat mogelijk aan de verdachte toegeschreven kunnen worden. Foto’s met bestandsnamen eindigend op .JPEG of .JPG kunnen niet met de iPhone van de verdachte zijn gemaakt, aldus de raadsman.
Het Gerecht stelt vast dat de verdachte zelf heeft verklaard dat bovengenoemde foto nummer 3 van hem afkomstig is teneinde marihuana te verkopen, en dat deze foto blijkens het dossier het bestandsformaat
.JPGheeft. Hiermee wordt de stelling van de raadsman dat de verdachte geen andere bestanden dan die eindigend op ‘.HEIC’ kon genereren, reeds weerlegd.
Conclusie
De verweren van de verdediging worden verworpen.

5.Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid onder B en C, van de Landsverordening verdovende middelen,
strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro de Landsverordening verdovende middelen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

6.Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

7.Oplegging van straf

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
7.3
Het oordeel van het Gerecht
Bij het bepalen van de straf heeft het Gerecht rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het Gerecht heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het bezit van en handel in marihuana. Van dergelijke verdovende middelen is algemeen bekend dat deze verslavend werken en voor de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van gebruikers daarvan schadelijk kunnen zijn. De verspreiding van en handel in verdovende middelen gaat veelal gepaard met andere vormen van criminaliteit en vormt dus een maatschappelijk probleem. De verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen.
Het Gerecht heeft kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte van 27 februari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke of andersoortige strafbare feiten is veroordeeld.
Het Gerecht heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor de handel in cocaïne gedurende een periode van minder dan zes maanden als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf tot achttien maanden gegeven.
Omdat het hier gaat om de handel in softdrugs, zal het Gerecht de helft van dit oriëntatiepunt als uitgangspunt nemen.
Strafverzwarend neemt het Gerecht mede in aanmerking dat de foto’s en de (Whatsapp)gesprekken duiden op grote hoeveelheden hennep en dat de verdachte geen blijk heeft gegeven van enig inzicht in het kwalijke van zijn handelen. Laatstgenoemde geeft het Gerecht tevens aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijke strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Het Gerecht is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Deze straf wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat het Gerecht tot een andere bewezenverklaring komt.

8.Het beslag

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen mobiele telefoon van de verdachte, merk Apple iPhone 16 Pro, gevorderd dat deze verbeurd worden verklaard.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht tot teruggave van de inbeslaggenomen telefoon aan de verdachte.
8.3
Het oordeel van het Gerecht
Het Gerecht verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoon, merk Apple iPhone 16 Pro. Dit voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring, immers behoort het toe aan de verdachte en betreft het een voorwerp met behulp waarvan het onder 1 bewezenverklaarde is begaan of voorbereid.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:67, 1:68 en 1:123 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, en de artikelen 4 en 11 van de Landsverordening verdovende middelen, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot
4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte, dan als veroordeelde, zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op
2 (twee) jaren,aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf;
verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoon van het merk Apple iPhone 16 Pro.
Aldus gewezen door mr. I.L. Gerrits, rechter, bijgestaan door mr. J. van der Vegte, (zittingsgriffier), en op 29 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit Gerecht.