Op 16 januari 2026 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de verdachte, die beschuldigd werd van het medeplegen van uitvoer en bezit van verdovende middelen, specifiek 9177 gram cocaïne. De zaak werd behandeld op tegenspraak, waarbij de verdachte aanwezig was, samen met zijn raadsman mr. P.M.E. Mohamed en de officier van justitie mr. E.D. Schwengle. De tenlastelegging betrof het opzettelijk uitvoeren, afleveren, vervoeren en in bezit hebben van cocaïne in de periode van 1 januari 2025 tot en met 25 februari 2025. Tijdens de zitting op 8 december 2025 werd het onderzoek gesloten en op 16 januari 2026 werd het vonnis uitgesproken.
Het Gerecht oordeelde dat de dagvaarding geldig was en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk was in zijn vervolging. De verdachte had het ten laste gelegde feit bekend, en er werden geen bewijsverweren gevoerd door de verdediging. Het Gerecht achtte het bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit had begaan, en sprak hem vrij van andere tenlasteleggingen. De strafbaarheid van de verdachte werd niet uitgesloten, en het Gerecht legde een gevangenisstraf op van dertig maanden, met aftrek van voorarrest.
Daarnaast werd er een beslissing genomen over het beslag. De officier van justitie had gevorderd dat de in beslag genomen kisten met cocaïne aan het verkeer zouden worden onttrokken, en dat bepaalde mobiele telefoons en geldbedragen verbeurd zouden worden verklaard. Het Gerecht volgde deze vordering en gelastte de onttrekking aan het verkeer van de cocaïne en verklaarde de mobiele telefoons en geldbedragen verbeurd. De uitspraak is gedaan door mr. I.L. Gerrits, bijgestaan door mr. J. van der Vegte als zittingsgriffier.