4.2Deze zaak is juridisch niet gecompliceerd: Nerea vindt dat zij nog geld van Aruval tegoed heeft, en Aruval bestrijdt dat. In zoverre is deze zaak niet anders dan veel andere zaken die aan het Gerecht worden voorgelegd. Wat wél opvalt, is de manier waarop Aruval heeft geprocedeerd:
i. Aruval heeft een conclusie van antwoord van 6 korte alinea’s ingediend, waarbij de eerste alinea een algemene ontkenning inhoudt van alle standpunten van Nerea, en de zesde alinea de conclusie dat de vorderingen van Nerea moeten worden afgewezen. In de overige vier alinea’s betwist Aruval de stellingen van Nerea:
( a) dat partijen hadden afgesproken dat Nerea 40% zou ontvangen van het bedrag dat Aruval van Bohama ontving;
( b) dat Aruval aan haar vervalste betalingsbewijzen heeft getoond;
( c) dat de bedragen die Aruval van Bohama had ontvangen hoger waren dan de ontvangsten die zij aan Nerea had opgegeven; en
( d) dat Aruval nog een bedrag aan Nerea heeft nabetaald.
Een inhoudelijk standpunt over wat partijen dan wel hebben afgesproken en over de besprekingen tussen partijen over de financiële afwikkeling, is in de conclusie van antwoord niet opgenomen. Ook zijn bij de conclusie van antwoord geen producties gevoegd.
ii. Voorafgaand aan de zitting heeft het Gerecht bij partijen informatie opgevraagd. Aan Aruval is gevraagd ervoor te zorgen dat tijdens de zitting een device beschikbaar zou zijn, waarmee via internetbankieren inzage kon worden gegeven in de bijschrijvingen die Aruval van Bohama had ontvangen. In reactie daarop heeft Aruval laten weten dat zij aan dit verzoek niet kon voldoen, omdat de bankrekening van Aruval is opgeheven. Nerea heeft er terecht op gewezen dat dit verrassend is, omdat doorgaans ook nog informatie kan worden verkregen van bankrekeningen die inmiddels zijn gesloten.
iii. Vervolgens heeft Aruval op de vrijdagmiddag voorafgaand aan de comparitie (die op maandag plaatsvond), een dikke stapel producties ingediend, inclusief een “tegenverhaal”. Waarom dat “tegenverhaal” niet in de conclusie van antwoord was opgenomen, heeft Aruval ook desgevraagd niet uitgelegd. In die stukken wordt ineens het standpunt ingenomen dat partijen elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend. Ook dit standpunt was niet in de conclusie van antwoord opgenomen.
iv. Uit de beschikbare stukken en de mededelingen van partijen tijdens de zitting blijkt bovendien dat:
(a) partijen wel degelijk hadden afgesproken dat Aruval 40% van het bedrag dat zij van Bohama ontving, aan Nerea zou uitbetalen;
(b) op de bankafschriften die Aruval aan Nerea heeft getoond onverklaarbare bedragen staan, die veel lager zijn dan de bedragen die daadwerkelijk zijn bijgeschreven;
(c) Aruval dus wel degelijk meer geld van Bohama had ontvangen dan zij aan Nerea heeft opgegeven; en
(d) Aruval tot twee keer toe een bedrag aan Nerea heeft nabetaald.
Waarom Aruval dit niettemin in haar conclusie van antwoord allemaal heeft betwist, heeft zij niet duidelijk kunnen maken.
v. Tot slot heeft de gemachtigde van Aruval op de zitting twee keer gezegd dat Nerea er verstandig aan doet een schikking te treffen, omdat Aruval alleen dan moeite zal doen om haar openstaande vordering op Bohama (waarvan een deel moet worden doorbetaald aan Nerea) te verhalen. De gemachtigde heeft daarbij weliswaar opgemerkt dat dat geen dreigement was, maar die mededeling kan moeilijk anders dan als een dreigement worden opgevat, zeker in combinatie met de mededeling dat Aruval verder geen activiteiten ontplooit, zodat Aruval een eventuele veroordeling nooit aan Nerea zal kunnen betalen.