Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAA:2026:157

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
AUA202503048 AR
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18c Rv ArubaArt. 21 Rv Nederland
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst onderaanneming bouwproject en proceshouding Aruval

Nerea Services N.V. vordert betaling van een openstaand bedrag van Afl. 9.714,74 van Aruval General Construction & Services VBA, voortvloeiend uit een onderaannemingsovereenkomst voor werkzaamheden aan een bouwproject van Bohama Aruba N.V. Aruval had Nerea slechts 40% van de bedragen betaald die zij van Bohama ontving, maar Nerea ontdekte dat Aruval meer had ontvangen dan zij had opgegeven.

Tijdens de procedure bleek dat Aruval bankafschriften had gemanipuleerd en onjuiste feiten had verkondigd, wat in strijd was met artikel 18c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Aruval bracht verweren pas vlak voor de zitting naar voren en werd niet toegelaten tot bewijslevering. De rechtbank oordeelde dat de afgesproken betalingsverplichting bestond en dat Aruval het openstaande bedrag moest voldoen.

De rechtbank veroordeelde Aruval tot betaling van het bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 april 2025 en legde een verdubbeling van het gebruikelijke liquidatietarief op vanwege de proceshouding. Tevens werd Aruval veroordeeld in de proceskosten, die werden begroot op Afl. 5.860,-. Het vonnis werd uitgesproken op 10 juni 2026.

Uitkomst: Aruval wordt veroordeeld tot betaling van Afl. 9.714,74 met rente en proceskosten wegens niet-nakoming en onjuiste proceshouding.

Uitspraak

Vonnis van 10 juni 2026
Behorend bij AUA202503048 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
NEREA SERVICES N.V.,
te Aruba,
eiseres, hierna ook te noemen: Nerea,
gemachtigde: de advocaat mr. V.C. Perše,
tegen:
ARUVAL GENERAL CONSTRUCTION & SERVICES VBA,
te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: Aruval,
gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingediend op 19 september 2025;
- de conclusie van antwoord, ingediend op 21 januari 2026;
- de rolbeschikking van 11 februari 2026, waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- de e-mail van het Gerecht aan partijen van 15 april 2026, met het verzoek om nadere informatie in het geding te brengen;
- de nadere producties van Nerea van 15 april 2026;
- de nadere producties van Aruval van 17 april 2026;
- de comparitie van partijen op 26 april 2026, waar zijn verschenen
- namens Nerea: de heer [directeur van Nerea] (directeur), mevrouw [medewerker 1] (administratief medewerker) en de heer [medewerker 2] (voormalig medewerker), bijgestaan door mr. Perše;
- namens Aruval: de heer [mede-eigenaar] (mede-eigenaar) als gevolmachtigde van mevrouw [directrice] (directrice), bijgestaan door mr. De Hoogd.
1.2
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1
Aruval is een bouw- en constructiebedrijf. Zij heeft in 2024 in opdracht van Bohama Aruba N.V. (hierna: Bohama) gewerkt aan de bouw van een nieuwe vleugel aan het Hilton Hotel.
2.2
Aruval heeft op haar beurt Nerea gevraagd om als onderaannemer een deel van de werkzaamheden uit te voeren. Nerea zou daarvoor een percentage ontvangen van het bedrag dat Aruval van Bohama betaald zou krijgen.
2.3
Om aan te tonen wat Aruval aan Nerea moest betalen, heeft Aruval aan Nerea bankafschriften van haar bankrekening bij Arubabank getoond, waarop bijschrijvingen door Bohama stonden vermeld. Aruval heeft vervolgens 40% van de bedragen die op die bankafschriften stonden, aan Nerea betaald.
2.4
Toen Nerea bij Arubank een overzicht opvroeg van de bedragen die Aruval van Bohama had ontvangen, constateerde zij dat Aruval veel meer geld van Bohama had gekregen dan op de bankafschriften stond die Aruval aan haar had getoond.
2.5
In een whatsapp bericht van 12 maart 2025 heeft de directrice van Aruval erkend dat zij geld schuldig is aan Nerea (“
Se que le debemos el dinero y se lo vamos a pagar”). In een daarop volgende voicenote heeft zij gezegd dat zij een fout heeft gemaakt en alles zal betalen (“
yo sé que nosotros de pronto nosotros cometimos un error (…) y te pedí disculpa (…) pero no es algo no te estoy diciento que no te vamos a pagar, te vamos a pagar”).
2.6
Partijen hebben vervolgens overleg gevoerd over het bedrag dat Nerea nog van Aruval tegoed had. Naar aanleiding van die bespreking heeft de advocaat van Nerea aan de advocaat van Aruval bevestigd dat partijen hebben afgesproken dat Aruval in verband met de “eerste closing” en het eerste deel van de “adjustment” nog een bedrag van Afl. 13.573,53 zou betalen, te weten 40% van het bedrag dat Aruval van Bohama had ontvangen. Ook is bevestigd dat partijen nog om de tafel zouden gaan zitten over de nabetaling in verband met de “tweede closing” en de resterende “adjustment”. Dit heeft de advocaat van Aruval bevestigd.
2.7
Op 23 mei 2025 heeft Aruval een bedrag van Afl. 13.575,53 aan Nerea betaald.
2.8
Op 18 juni 2025 hebben partijen overleg gevoerd over het bedrag dat Aruval nog aan Nerea moest betalen in verband met de “tweede closing” en de resterende “adjustment”. Naar aanleiding van dit overleg heeft Aruval in een e-mail op 19 juni 2025 aan Nerea geschreven dat Aruval (tegen finale kwijting) nog een bedrag van Afl. 17.206,- aan Nerea zou betalen, waarbij de eerste termijn van Afl. 10.000,- zou worden betaald op 20 juni 2025 en de slottermijn van Afl. 7.206,- op 24 juni 2025.
2.9
Nerea heeft op 20 juni 2025 gereageerd met de mededeling dat dit niet is afgesproken. Nerea heeft geschreven dat partijen hebben afgesproken dat Aruval een betalingsvoorstel zou doen, dat Nerea het voorstel van Aruval (zoals geformuleerd in de mail van 19 juni 2025) niet accepteert en dat zij op 22 juni 2025 nog Afl. 9.714,74 wil ontvangen.
2.1
Op 20 juni 2025 heeft Aruval Afl. 10.000,- aan Nerea betaald. Verdere betalingen zijn uitgebleven.
2.11
Op 26 augustus 2025 heeft Nerea beslag gelegd op de bankrekeningen van Aruval.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1
Nerea vordert dat Aruval wordt veroordeeld om Afl. 9.714,74 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2025 en met veroordeling van Aruval in de proceskosten.
3.2
Aruval heeft verweer gevoerd.
3.3
Het Gerecht zal hierna ingaan op de standpunten van partijen, voor zover die van belang zijn voor de beoordeling van de vordering.

4.DE BEOORDELING

Opmerking vooraf: de proceshouding van Aruval en haar gemachtigde
4.1
Voordat het Gerecht de vordering inhoudelijk zal beoordelen, overweegt het het volgende.
4.2
Deze zaak is juridisch niet gecompliceerd: Nerea vindt dat zij nog geld van Aruval tegoed heeft, en Aruval bestrijdt dat. In zoverre is deze zaak niet anders dan veel andere zaken die aan het Gerecht worden voorgelegd. Wat wél opvalt, is de manier waarop Aruval heeft geprocedeerd:
i. Aruval heeft een conclusie van antwoord van 6 korte alinea’s ingediend, waarbij de eerste alinea een algemene ontkenning inhoudt van alle standpunten van Nerea, en de zesde alinea de conclusie dat de vorderingen van Nerea moeten worden afgewezen. In de overige vier alinea’s betwist Aruval de stellingen van Nerea:
( a) dat partijen hadden afgesproken dat Nerea 40% zou ontvangen van het bedrag dat Aruval van Bohama ontving;
( b) dat Aruval aan haar vervalste betalingsbewijzen heeft getoond;
( c) dat de bedragen die Aruval van Bohama had ontvangen hoger waren dan de ontvangsten die zij aan Nerea had opgegeven; en
( d) dat Aruval nog een bedrag aan Nerea heeft nabetaald.
Een inhoudelijk standpunt over wat partijen dan wel hebben afgesproken en over de besprekingen tussen partijen over de financiële afwikkeling, is in de conclusie van antwoord niet opgenomen. Ook zijn bij de conclusie van antwoord geen producties gevoegd.
ii. Voorafgaand aan de zitting heeft het Gerecht bij partijen informatie opgevraagd. Aan Aruval is gevraagd ervoor te zorgen dat tijdens de zitting een device beschikbaar zou zijn, waarmee via internetbankieren inzage kon worden gegeven in de bijschrijvingen die Aruval van Bohama had ontvangen. In reactie daarop heeft Aruval laten weten dat zij aan dit verzoek niet kon voldoen, omdat de bankrekening van Aruval is opgeheven. Nerea heeft er terecht op gewezen dat dit verrassend is, omdat doorgaans ook nog informatie kan worden verkregen van bankrekeningen die inmiddels zijn gesloten.
iii. Vervolgens heeft Aruval op de vrijdagmiddag voorafgaand aan de comparitie (die op maandag plaatsvond), een dikke stapel producties ingediend, inclusief een “tegenverhaal”. Waarom dat “tegenverhaal” niet in de conclusie van antwoord was opgenomen, heeft Aruval ook desgevraagd niet uitgelegd. In die stukken wordt ineens het standpunt ingenomen dat partijen elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend. Ook dit standpunt was niet in de conclusie van antwoord opgenomen.
iv. Uit de beschikbare stukken en de mededelingen van partijen tijdens de zitting blijkt bovendien dat:
(a) partijen wel degelijk hadden afgesproken dat Aruval 40% van het bedrag dat zij van Bohama ontving, aan Nerea zou uitbetalen;
(b) op de bankafschriften die Aruval aan Nerea heeft getoond onverklaarbare bedragen staan, die veel lager zijn dan de bedragen die daadwerkelijk zijn bijgeschreven;
(c) Aruval dus wel degelijk meer geld van Bohama had ontvangen dan zij aan Nerea heeft opgegeven; en
(d) Aruval tot twee keer toe een bedrag aan Nerea heeft nabetaald.
Waarom Aruval dit niettemin in haar conclusie van antwoord allemaal heeft betwist, heeft zij niet duidelijk kunnen maken.
v. Tot slot heeft de gemachtigde van Aruval op de zitting twee keer gezegd dat Nerea er verstandig aan doet een schikking te treffen, omdat Aruval alleen dan moeite zal doen om haar openstaande vordering op Bohama (waarvan een deel moet worden doorbetaald aan Nerea) te verhalen. De gemachtigde heeft daarbij weliswaar opgemerkt dat dat geen dreigement was, maar die mededeling kan moeilijk anders dan als een dreigement worden opgevat, zeker in combinatie met de mededeling dat Aruval verder geen activiteiten ontplooit, zodat Aruval een eventuele veroordeling nooit aan Nerea zal kunnen betalen.
4.3
Door de onder i. tot en met iv. beschreven proceshouding heeft Aruval gehandeld in strijd met artikel 18c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In dit artikel staat dat een partij alle van belang zijnde feiten volledig, naar waarheid en in een zo vroeg mogelijk stadium moet aanvoeren. Dat heeft Aruval niet gedaan. Dit valt ook – en zeker – de gemachtigde van Aruval aan te rekenen. Door in de conclusie van antwoord onjuistheden te verkondigen, van belang zijnde feiten pas vlak voor de comparitie naar voren te brengen, vlak voor de comparitie nieuwe standpunten in te nemen en door ook tijdens de comparitie te blijven volharden in aantoonbaar onjuiste stellingen (in combinatie met het onder v. genoemde dreigement aan het adres van Nerea) heeft de gemachtigde niet alleen de wet, maar ook de grenzen van het betamelijke overtreden.
4.4
Het Gerecht zou de nagekomen stukken van Aruval buiten beschouwing kunnen laten, omdat ze te laat zijn ingediend en het bovendien gaat om stellingen en stukken die al in een veel eerder stadium van de procedure naar voren hadden kunnen en moeten worden gebracht. Nerea heeft tijdens de zitting echter laten weten dat zij er geen bezwaar tegen heeft als de stukken toch in de procedure worden betrokken. De stukken zullen daarom wel aan het procesdossier worden toegevoegd.
4.5
Omdat Aruval in deze procedure aantoonbaar onjuistheden heeft verkondigd (dan wel tegen beter weten in harde feiten heeft ontkend), zal Aruval niet tot bewijslevering worden toegelaten. Ook zullen in het kader van de proceskostenveroordeling consequenties worden verbonden aan de manier van procederen van Aruval.
Inhoudelijke overwegingen
4.6
Nerea vordert dat Aruval wordt veroordeeld om aan haar nog Afl. 9.714,74 te betalen. Die vordering wordt toegewezen, en wel om de volgende reden.
4.7
Hoewel Aruval de afgesproken verdeelsleutel aanvankelijk heeft ontkend, blijkt uit de beschikbare stukken dat partijen hebben afgesproken dat Aruval aan Nerea 40% zou betalen van het bedrag dat zij zelf van Bohama zou ontvangen (zie nrs. 2.3 en 2.6).
4.8
Uit de stukken blijkt ook dat Aruval haar eerdere betalingen aan Nerea heeft berekend aan de hand van bankafschriften van Arubabank, waarop te zien zou zijn hoeveel Bohama op haar rekening had gestort (zie 2.3). Gebleken is echter dat die bankafschriften niet kloppen. Nerea heeft bij Arubabank informatie opgevraagd over de bijschrijvingen door Bohama op de bankrekening van Aruval, en de informatie die rechtstreeks van Arubabank afkomstig is, wijkt af van de informatie die Aruval zelf heeft verstrekt (zie 2.4). Het Gerecht kan niet anders dan concluderen dan dat Aruval moedwillig bankafschriften heeft gemanipuleerd, om Nerea minder uit te betalen dan het bedrag waarop zij recht had.
4.9
Op basis van de correspondentie tussen de gemachtigden van partijen blijkt verder dat de eerste nabetaling door Aruval van Afl. 13.573,53 betrekking had op de zogenoemde “eerste closing”, en dat partijen nog met elkaar in overleg zouden gaan over het bedrag dat Aruval nog op grond van de “tweede closing” en de “adjustment” zou moeten nabetalen (zie 2.6).
4.1
Dat overleg heeft plaatsgevonden op 18 juni 2025 (zie 2.8). Aruval stelt dat zij tijdens die bespreking met Nerea heeft afgesproken dat zij tegen finale kwijting nog Afl. 17.206,- zou betalen, te betalen in twee termijnen (waarvan zij de eerste op 20 juni 2025 ook heeft betaald).
4.11
Het Gerecht stelt vast dat Aruval het bestaan van deze afspraak niet voldoende heeft onderbouwd. Zij verwijst weliswaar naar de e-mail van haar directrice van 19 juni 2025 (zie 2.8), maar Nerea heeft betwist dat zo’n afspraak is gemaakt (zie 2.9). Aruval heeft weliswaar aangeboden te bewijzen dat partijen deze afspraak hebben gemaakt, maar aan dit aanbod gaat het Gerecht voorbij. Dit is allereerst het gevolg van de leugenachtige proceshouding van Aruval, waaraan het Gerecht de gevolgen mag verbinden die het passend vindt (vgl. art. 18c Rv). Bovendien is de enkele verwijzing door Aruval naar de
e-mail van 19 juni 2025 (afgezet tegen de gemotiveerde betwisting door Nerea) simpelweg onvoldoende om te worden toegelaten tot bewijs.
4.12
Bij die stand van zaken kan het Gerecht de vraag laten rusten hoe de stelling van Aruval dat Nerea op grond van de bindende partijafspraak nog Afl. 7.206,- tegoed heeft, zich verhoudt tot haar standpunt dat Aruval niets meer aan Nerea hoeft te betalen.
4.13
Dit betekent dat het Gerecht moet beslissen welk bedrag Nerea nog van Aruval tegoed heeft. Nerea heeft gesteld dat partijen tijdens de bijeenkomst op 18 juni 2025 aan de hand van de administratie van Aruval hebben berekend dat het openstaande bedrag nog Afl. 9.714,74 was. Aruval heeft dat weliswaar bestreden, maar heeft die betwisting niet onderbouwd. Dat had wel op haar weg gelegen, omdat Aruval degene is die beschikt over haar eigen administratie. Dit betekent dat de vordering van Nerea zal worden toegewezen.
4.14
Aruval heeft de gevorderde wettelijke rente niet bestreden, zodat ook die wordt toegewezen.
4.15
Omdat Aruval ongelijk krijgt, moet zij de proceskosten van Nerea betalen. Het Gerecht ziet daarbij in de manier van procederen van Aruval (zie 4.1 tot en met 4.5) aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke tarief voor gemachtigdensalaris. Uit de stukken blijkt dat Nerea de nodige moeite heeft moeten doen om de wisselende standpunten van Aruval te volgen en om daarop te reageren. Het gebruikelijke tarief voor gemachtigdensalaris zal daarom worden verdubbeld.
4.16
Met inachtneming van het voorgaande worden de proceskosten (inclusief de kosten van beslaglegging) als volgt begroot:
- Afl. 450,- aan griffierecht
- Afl. 2.410,- aan explootkosten
- Afl. 3.000,- aan salaris van de gemachtigde (3 punten x tarief Afl. 1.000,-).

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
veroordeelt Aruval om aan Nerea Afl. 9.714,74 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 april 2025 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;
veroordeelt Aruval in de proceskosten van Nerea, die tot de datum van uitspraak worden begroot op Afl. 5.860,-;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.