ECLI:NL:OGEAA:2025:335
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.H.M. van de Leur
- Rechtspraak.nl
Arbeidsrechtelijke procedure over onterecht aangenomen ontslag op staande voet
De werknemer trad op 10 december 2022 in dienst bij CCGS als pompbediende. Op 30 september 2024 ontstond een incident waarbij de werknemer uit frustratie een glazen fles tegen een muur gooide en vervolgens wegreed. CCGS vulde op 8 januari 2025 een formulier in waarin stond dat de werknemer zichzelf had ontslagen op 30 september 2024.
De werknemer stelde dat hij op 1 oktober 2024 op staande voet was ontslagen, terwijl CCGS betwistte dat er sprake was van ontslag en stelde dat de werknemer zelf ontslag had genomen door niet op het werk te verschijnen en contact te vermijden. De kern van het geschil was of de werknemer vrijwillig ontslag had genomen of onterecht was ontslagen.
Het Gerecht oordeelde dat de wilsverklaring van de werknemer niet duidelijk en ondubbelzinnig was gericht op beëindiging van het dienstverband. De werkgever had onvoldoende onderzoek gedaan naar de wil van de werknemer, die bovendien verstandelijke beperkingen heeft. Daarom bleef het dienstverband voortduren.
De loonvordering van de werknemer werd toegekend vanaf 29 maart 2025, met matiging van het loon over de periode 1 oktober 2024 tot 28 maart 2025 wegens te late aanvang van de procedure. De wettelijke verhoging werd gematigd tot maximaal 15%, en wettelijke rente werd toegekend. CCGS werd veroordeeld in de proceskosten en de werknemer kreeg verlof tot kosteloos procederen.
Uitkomst: Het dienstverband blijft voortduren en de werkgever moet loon betalen vanaf 29 maart 2025 met matiging van achterstallig loon.