In deze zaak is beroep ingesteld tegen een beslissing van de huurcommissie waarin aan de verhuurders toestemming werd gegeven om de huurovereenkomst op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van vier maanden. De huurder betwistte deze beslissing en stelde beroep in bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba.
Tijdens de mondelinge behandeling op 15 april 2025 is tussen partijen een minnelijke regeling getroffen. Deze regeling houdt in dat de huurovereenkomst wordt voortgezet tot 1 maart 2026, waarbij de huurder een maandelijkse huur van 650 Arubaanse gulden zal betalen vanaf 1 maart 2025. Tevens is afgesproken dat de huurder het gehuurde uiterlijk op 28 februari 2026 zal ontruimen en verlaten.
Op grond van deze regeling heeft het gerecht de beslissing van de huurcommissie vernietigd en de regeling in de beschikking opgenomen. De kosten van de procedure worden door partijen ieder voor eigen rekening gedragen. De beschikking is uitgesproken door rechter-plv. J.T.G. Roovers op 29 april 2025.