Uitspraak
[naam eenmanszaak],
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
De verzoekster trad op 1 maart 2021 in dienst bij de verweerster, een eenmanszaak, als juriste met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 maart 2022. Zij ontving loon over maart en april 2021, maar daarna niet meer, terwijl zij vanaf mei 2021 niet meer werkte op verzoek van de werkgever. De werkgever stelde de verzoekster op non-actief wegens financiële problemen en betaalde het loon niet door.
De verzoekster stelde de werkgever meerdere malen schriftelijk en mondeling in gebreke en verzocht om betaling van het achterstallige loon over de periode mei 2021 tot en met februari 2022. De werkgever verscheen niet op zitting en voerde onder meer aan dat de verzoekster zonder toestemming in het buitenland was en daarom geen loon verschuldigd was over die periode.
Het Gerecht oordeelde dat de verzoekster niet-ontvankelijk was, dat het niet-werken niet aan haar te wijten was en dat de werkgever gehouden was het loon te betalen. Het verweer van de werkgever dat zij niet kon betalen werd niet onderbouwd. De arbeidsovereenkomst was niet tussentijds beëindigd. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van Afl. 31.840,- aan achterstallig loon, vermeerderd met wettelijke rente, en in de proceskosten. De verzoekster kreeg toestemming om kosteloos te procederen.
Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van Afl. 31.840,- aan achterstallig loon met wettelijke rente en proceskosten.