Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
[Appellant],
mr. G.L. Griffth,
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Appellant, een Keniaanse nationaliteit houdende persoon die sinds 1999 op Aruba verblijft, werd in 2022 bevolen Aruba te verlaten en kreeg een periode van niet-toelating opgelegd. Hij maakte bezwaar tegen het uitzettingsbevel, dat door de minister werd afgewezen. Appellant stelde beroep in bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba.
Het gerecht oordeelde dat het beroepschrift ontvankelijk was ondanks termijnoverschrijding, omdat de bestreden beslissing onjuist was toegezonden aan een voormalige gemachtigde. Vervolgens stelde het gerecht vast dat het bezwaarschrift niet aan de bezwaaradviescommissie was voorgelegd, wat in strijd is met artikel 15 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). Daarnaast ontbrak het aan een deugdelijke belangenafweging en motivering in de bestreden beslissing, terwijl appellant langdurig verblijf en banden met Aruba aanvoerde.
Het gerecht vernietigde daarom het bestreden besluit en beval de minister binnen drie maanden een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten en teruggave van het griffierecht. Beide partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het uitzettingsbesluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.