Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAA:2023:295

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
16 november 2023
Publicatiedatum
20 november 2023
Zaaknummer
AUA202303741
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:678 lid 2 sub k BW ArubaArt. 10 lid 1 sub b Landsbesluit PersonenvervoerArt. 13 sub b Landsbesluit PersonenvervoerArt. 20 sub b Landsverordening PersonenvervoerArt. 32 Landsverordening Personenvervoer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens fysiek geweld door buschauffeur op minderjarige passagier

De werknemer, sinds 2008 buschauffeur bij Arubus, werd op 21 september 2023 betrokken bij een incident waarbij hij een veertienjarige passagier fysiek vastpakte en tegen een muur drukte nadat deze hem had uitgescholden. Na het incident werd de werknemer geschorst en vervolgens op staande voet ontslagen wegens grove veronachtzaming van zijn arbeidsverplichtingen en reputatieschade voor de werkgever.

De werknemer betwistte het ontslag en vorderde loonbetaling en herstel van zijn werkzaamheden, stellende dat het incident geen dringende reden vormde en dat hij niet gehoord was voorafgaand aan het ontslag. Arubus handhaafde het ontslag en verwees naar het onderzoek op basis van camerabeelden en getuigenverklaringen.

Het Gerecht oordeelde dat het gedrag van de werknemer ontoelaatbaar was, ook rekening houdend met zijn leeftijd en ervaring. De gedragingen vormden een dringende reden voor ontslag op staande voet. De stelling dat hij niet gehoord was, leidde niet tot nietigheid van het ontslag. De vordering van de werknemer werd afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering werknemer tot loonbetaling en herstel werkzaamheden afgewezen wegens dringende reden voor ontslag op staande voet.

Uitspraak

Vonnis van 16 november 2023
Behorend bij K.G. nr. AUA202303741
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[Naam eiser],
wonende te Aruba,
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: de advocaat mr. H.F. Falconi,
tegen:
de naamloze vennootschap
COMPANIA ARUBIANO DI BUS N.V.,
h.o.d.n. ARUBUS,
gevestigd te Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: Arubus,
gemachtigden: de advocaten mrs. A.A. Ruiz en mr. M.R.M. Reinkemeyer.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het inleidend verzoek met producties van 26 oktober 2023;
- de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van donderdag 2 november 2023.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling is [eiser] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Namens Arubus zijn verschenen haar gemachtigden voornoemd, vergezeld van mevrouw [naam HR manager](HR Manager bij Arubus) en de heer [naam operations manager (Operations Manager bij Arubus; hierna: [operations manager]). Partijen hebben (mede aan de hand van aan het Gerecht overgelegde pleitaantekeningen) het woord gevoerd, op vragen van het Gerecht geantwoord en op elkaars stellingen gereageerd of kunnen reageren.
1.3
Voorafgaand aan de zitting zijn namens Arubus producties in het geding gebracht.
1.4
Vonnis is vervolgens bepaald op vandaag.

2.DE FEITEN

2.1 [
eiser] is sinds 2008 in dienst van Arubus, in de functie van buschauffeur tegen een brutosalaris (met emolumenten) van Afl. 5.534,- per maand.
2.2
Op 21 september 2023 heeft zich tijdens de dienst van [eiser] een incident voorgedaan. Die dag stapte de veertienjarige [naam jongen] (hierna: de jongen) omstreeks 15:36 uur met zijn vrienden in de bus waarin [eiser] reed. Op de camerabeelden van de bus van die dag is te zien dat op het moment dat de bus wegreed, een andere jongen naast de bus rende. Nadat [eiser] enige tijd zijn weg had vervolgd, drukte de jongen op de stopknop, om uit de bus te kunnen stappen. Nadat de jongen had gedrukt, reed [eiser] nog even door. Toen [eiser] de bus had gestopt, stapte de jongen vanuit het midden van de bus uit. Bij het uitstappen riep de jongen “hijo de puta” naar [eiser]. [eiser] verliet hierop de bus en pakte de jongen vast. Hij drukte de jongen tegen een muur en zei iets tegen de jongen. Hij hield de jongen enige tijd vast ter hoogte van diens kraag.
2.3 [
eiser] heeft zijn dienstleider diezelfde dag over het incident verteld. De volgende dag is hij door [operations manager] over het incident bevraagd.
2.4 [
eiser] is vervolgens met behoud van loon geschorst in afwachting van door Arubus te verrichten onderzoek.
2.5
Bij brief van 28 september 2023 is [eiser] op staande voet ontslagen. In deze brief is als volgt vermeld:
“Op 22 september 2023 bent u geschorst na het gesprek dat u had met dhr. [operations manager], operations manager van Arubus, met behoud van loon in het kader van onderzoek naar aanleiding van een incident dat plaatsvond op 21 september 2023 waarbij een minderjarig kind was betrokken. U heeft dit incident diezelfde dag, 21 september 2023, gemeld aan de dienstleider dhr. [naam dienstleider]. De voornoemde schorsing werd u mondeling meegedeeld door dhr. [operations manager] en is per brief d.d. 26 september 2023, welke u diezelfde dag heeft ontvangen, bevestigd.
Het onderzoek aan de hand van camerabeelden en gesprekken met het minderjarig kind, getuigen en andere betrokken personen heeft het volgende uitgewezen.
U heeft op donderdag 21 september 2023 tijdens uw lijndienst omstreeks 15.36 uur een minderjarig kind (…) genaamd [naam jongen] (hierna: het kind), dat u als passagier/klant van Arubus had vervoerd, zowel verbaal als fysiek aangevallen door dit kind met kracht vast te grijpen aan de kraag van zijn uniform en tegen een muur te duwen en hem daarna de woorden "coñibo mama" toe te schreeuwen. Het kind heeft door uw handeling pijn ondervonden. Dit alles gebeurde in het openbaar en in het bijzonder ten overstaan van de overige passagiers/klanten van Arubus. Arubus heeft van tenminste van een passagier/klant, die het incident had aanschouwd, vernomen dat u door uw handelwijze deze passagier/klant angst heeft ingeboezemd. U heeft voorts de bus, met de door u vervoerde passagiers die zich nog in de bus bevonden, op de openbare weg met draaiende motor achtergelaten met alle risico's van dien voor deze passagiers, het verkeer ter plaatse en Arubus. Eerder die dag, omstreeks 15:02 uur, heeft u ook nog eens de tweelingbroer van het kind, genaamd [tweelingbroer van jongen], eveneens klant van Arubus, ter hoogte van de bushalte te YMCA terwijl u werd meegedeeld dat hij de bus al naderde, achtergelaten op moment dat hij reeds bij de bus was aangekomen.
U begrijpt wel, dat uw bovenvermelde handelingen volstrekt onacceptabel zijn voor Arubus en niet worden getolereerd zoals u in het verleden reeds is bekendgemaakt. Deze handelingen leveren een grovelijke veronachtzaming van plichten die de arbeidsovereenkomst u oplegt in de zin van artikel 7:678 lid 2 sub k van Pro het Burgerlijk Wetboek van Aruba, alsook o.a. reputatieschade voor Arubus, op. Daar komt nog eens bij, dat uw handelingen in strijd zijn met artikel 10 lid 1 sub b en Pro artikel 13 sub b van Pro het Landsbesluit Personenvervoer hetgeen niet alleen gronden oplevert om uw rijvergunning te weigeren c.q. in te trekken ingevolge artikel 32 en Pro 33 van de Landsverordening Personenvervoer doch ook de intrekking van de vergunning van Arubus ex art. 3 lid 1 Landsverordening Pro Personenvervoer tot gevolg kan hebben ingevolge artikel 20 sub b Landverordening Pro Personenvervoer.
Met het oog hierop heeft Arubus besloten u per direct te ontslaan op staande voet. (…)”.
2.6
Namens [eiser] is op 9 oktober 2023 de nietigheid van het ontslag ingeroepen en verzocht [eiser] zijn werkzaamheden weer te laten verrichten en zijn gebruikelijke loon door te betalen.
2.7
Arubus heeft volhard in het ontslag.

3.HET GESCHIL

3.1 [
eiser] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Arubus wordt veroordeeld om aan hem zijn loon met emolumenten door te betalen, vanaf 28 september 2023 en totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en vertragingsrente. Tevens vordert [eiser] Arubus te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2
Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag dat hij niet over het ontslag is gehoord, het incident geen dringende reden is voor een ontslag op staande voet en dat [eiser], gelet op de wijze waarop in het verleden door Arubus met dergelijke incidenten werd omgegaan, ook niet hoefde te verwachten dat hij zou worden ontslagen. Volgens [eiser] had Arubus hem nog een kans moeten geven en een andere passende maatregel kunnen nemen. Tot slot heeft [eiser] betoogd dat Arubus ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden.
3.3
Arubus heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde.
3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beslissing van belang, nader ingegaan.

4.DE BEOORDELING

4.1
Het spoedeisend belang van [eiser] volgt uit de aard van de vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen.
4.2
In het kader van dit kort geding moet worden beoordeeld of de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het is gerechtvaardigd op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.
Incident 21 september 2023
4.3
Gelet op de over en weer door partijen betrokken stellingen en de ter zitting met partijen bekeken camerabeelden, staat het volgende vast. Nadat de jongen omstreeks 15:36 uur met zijn vrienden de bus waarin [eiser] reed was ingestapt, is [eiser] weggereden. Op de camerabeelden van de bus is te zien dat op dat moment een andere jongen naast de bus rende. Nadat [eiser] enige tijd met de bus was verder gereden, drukte de jongen op de stopknop, om uit de bus te kunnen stappen. Nadat de jongen had gedrukt, reed [eiser] nog even door. Toen de bus was gestopt, stapte de jongen vanuit het midden van de bus uit. Bij het uitstappen riep de jongen “hijo de puta” naar [eiser]. [eiser] verliet hierop in een snel tempo de bus (waarbij hij zowel een stang voor zijn stoel diende te verwijderen en de deur moest openduwen omdat deze kennelijk niet snel genoeg open gingen), rende op de jongen af en pakte de jongen ter hoogte van diens kraag vast. Hij drukte de jongen tegen een muur en hield de jongen gedurende enige tijd zo vast. Volgens Arubus schold [eiser] de jongen op dat moment uit. Volgens [eiser] vroeg hij de jongen waarom hij hem had uitgescholden en of hij dergelijk respectloos gedrag normaal vond.
4.4
Volgens Arubus is [eiser] opzettelijk weggereden toen een andere jongen (die later de tweelingbroer van de jongen bleek te zijn) kwam aanrennen en ook met de bus meewilde. [eiser] heeft betwist dat dit opzettelijk was. Volgens hem lette hij op het verkeer aan de andere kant van de bus, omdat hij moest invoegen. Gelet op dit verweer kan vooralsnog niet worden gezegd dat [eiser] inderdaad opzettelijk heeft gehandeld. Weliswaar heeft [eiser] ter zitting desgevraagd verklaard dat de jongen hem vertelde dat er nog iemand aankwam die ook meewilde, maar nu op de beelden is te zien dat daarna nog enkele jongens instapten en tussen dit instappen en het naast de bus rennen door de tweelingbroer enige momenten waren verstreken, is dat vooralsnog niet voldoende voor het oordeel dat van opzet bij [eiser] sprake was.
Ontslag op staande voet
4.4 [
eiser] heeft betwist dat hij opzettelijk is doorgereden nadat de jongen op de stopknop had gedrukt. Ter zitting heeft [eiser] (mede aan de hand van een luchtfoto van de situatie ter plaatste) aangevoerd dat de jongen drukte op het moment dat de bus bij een kruispunt aankwam en dat hij, [eiser], dus wel verder moest rijden vanwege de veiligheid van het verkeer. Nu echter de praktijk is dat de bus stopt zodra op de stopknop wordt gedrukt (en dus niet slechts bij bushaltes), dat blijkens de camerabeelden van de bus ongeveer twintig seconden verstreken voordat [eiser] de bus stopte en nu uit de door hem getoonde luchtfoto niet blijkt dat eerder stoppen niet mogelijk was, is voorshands onvoldoende aannemelijk dat de verklaring van [eiser] in lijn met de feitelijke gang van zaken is. Ook het schelden door de jongen lijkt een reactie te zijn.
4.5
Op grond van de beelden en hetgeen [eiser] daarover heeft verklaard, staat verder vast dat [eiser], nadat de jongen hem uitschold, in rap tempo uit de bus is gestapt, op de jongen is afgerend en de jongen bij zijn jas, ter hoogte van diens kraag, heeft vastgepakt. Tevens staat vast dat hij de jongen aldus enige tijd heeft vastgehouden en tegen een muur heeft gedrukt. Het Gerecht is van oordeel dat dit gedrag van [eiser] ontoelaatbaar is, ook indien hij werd uitgescholden en ook indien hij, zoals [eiser] stelt en Arubus heeft betwist, al langer overlast had van groepen jongeren. Van [eiser] had - als tweeënvijftigjarige volwassene - mogen worden verwacht dat hij anders op het kind had gereageerd.
4.6
Dat het incident moet worden bezien in het licht van de omstandigheid dat hij telkenmale door de groep jongeren waartoe deze jongen behoort, wordt geprovoceerd en dat hij Arubus herhaaldelijk heeft gevraagd actie te ondernemen maar dat Arubus niets onderneemt, is vooralsnog onvoldoende gebleken. Arubus heeft dit weersproken en [eiser] heeft zijn stelling niet concreet onderbouwd. Desgevraagd heeft hij ook geen concrete voorbeelden kunnen geven van eerdere incidenten die hij zou hebben gemeld.
4.7
Het voorgaande brengt mee dat met een onvoldoende mate van waarschijnlijkheid aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het incident van 21 september 2023 geen dringende reden oplevert voor het ontslag op staande voet. Voor [eiser] kan naar het voorlopig oordeel van het Gerecht redelijkerwijs geen twijfel hebben bestaan dat hij ook voor zijn gedrag dat vooralsnog is komen vast te staan, zou zijn ontslagen.
4.8
Voor het oordeel dat met een onvoldoende mate van waarschijnlijkheid aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet, is mede van belang dat [eiser], anders dan hij heeft betoogd, niet van onweersproken gedrag is, dat hij eerdere waarschuwingen heeft gekregen en geschorst is geweest. De door [eiser] geschetste persoonlijke omstandigheden leiden, afgewogen tegen de aard en de ernst van de dringende reden, niet tot een ander oordeel. Dat in het verleden door Arubus met dergelijke incidenten anders is omgegaan, doet daar niet aan af. Arubus heeft onweersproken gesteld dat zij in 2015 heeft kenbaar gemaakt dat fysiek geweld onder geen enkele omstandigheid wordt getolereerd en dat zware disciplinaire maatregelen, waaronder een ontslag op staande voet, kunnen volgen.
4.9 [
eiser] heeft verder nog gesteld dat hij ten onrechte niet is gehoord alvorens het besluit is genomen hem op staande voet te ontslaan. Volgens [eiser] is Arubus daartoe gehouden op grond van het bepaalde in artikel 6.7 van de op zijn arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde CAO. Arubus heeft betwist dat deze bepaling ook ziet op een ontslag op staande voet. De uitleg van deze CAO-bepaling kan echter in het kader van dit kort geding in het midden blijven, nu, nog daargelaten dat daags na het incident wel met [eiser] over het gebeuren is gesproken, is gesteld noch gebleken dat het niet voldoen aan deze CAO-bepaling leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid van het ontslag.
Slotsom
4.1
De slotsom van het voorgaande is dat de stellingen van [eiser] niet kunnen slagen en dat zijn vordering zal worden afgewezen. Zijn gestelde persoonlijke omstandigheden (zijn leeftijd, het vijftienjarige dienstverband, zijn functioneren en dat hij een gezin heeft te onderhouden en kostwinner is) leiden, hoe groot de impact van het ontslag ook op [eiser] zal zijn, niet tot een ander oordeel.
4.11 [
eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden aan de zijde van Arubus tot op heden begroot op Afl. 1.500,- aan gemachtigdensalaris. Deze kostenveroordeling zal, als onweersproken verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:
5.1
wijst het gevorderde af;
5.2
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding aan de zijde van Arubus gevallen en tot op heden begroot op Afl. 1.500,- aan gemachtigdensalaris;
5.3
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 16 november 2023 in aanwezigheid van de griffier.