Uitspraak
1.DE PROCEDURE
2.DE FEITEN
(…).
(…).
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
De zaak betreft een geschil tussen Britania Development Company en het Land Aruba over de beëindiging van een huurovereenkomst voor een kantoorpand en de financiële afwikkeling daarvan.
De huurovereenkomst, aangegaan op 15 augustus 2017 voor drie jaar, werd door het Land rechtsgeldig tussentijds opgezegd met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van drie maanden, waardoor de huur eindigde op 30 september 2019. Het Land bleef echter tot januari 2020 in het genot van het pand en betaalde tot juni 2020 huurbedragen door.
Het Gerecht oordeelde dat het Land over de periode oktober 2019 tot en met januari 2020 een gebruiksvergoeding verschuldigd was, maar dat de betalingen vanaf februari tot juni 2020 onverschuldigd waren. Daarnaast werd vastgesteld dat het Land het pand niet in de oorspronkelijke staat had opgeleverd, wat leidde tot een schadevergoeding van Afl. 61.493,81 en een vergoeding voor gederfde huurinkomsten van Afl. 51.562,50.
Het beroep van het Land op verrekening van de onverschuldigde betalingen met de nog te betalen schadevergoeding werd toegewezen, waardoor het resterende saldo op nul uitkwam. Tevens werd het Land veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van Afl. 3.000,--. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De huurovereenkomst is rechtsgeldig geëindigd, het Land is schadevergoeding en incassokosten aan Britania verschuldigd, met verrekening van onverschuldigde betalingen.