ECLI:NL:OGEAA:2022:329

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
29 juni 2022
Publicatiedatum
27 september 2022
Zaaknummer
AUA202201401
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet van HR medewerker wegens vermeende onbevoegdheid tot het opstellen van referentiebrieven

In deze zaak heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba op 29 juni 2022 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiseres] en Interport Logistics V.B.A. [eiseres], werkzaam als HR Manager, was op staande voet ontslagen door Interport. De werkgever stelde dat [eiseres] onbevoegd was om referentiebrieven op te stellen, wat leidde tot het ontslag. [eiseres] betwistte de dringende reden voor haar ontslag en vorderde doorbetaling van haar loon en emolumenten. Het Gerecht oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor de dringende reden en dat het ontslag niet gerechtvaardigd was. Het Gerecht wees de vordering van [eiseres] tot doorbetaling van haar loon toe, evenals de wettelijke rente, maar wees de vordering tot betaling van vakantietoeslag af. Interport werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt de noodzaak van duidelijke communicatie en bevoegdheden binnen een organisatie, vooral in arbeidsrelaties.

Uitspraak

Vonnis van 29 juni 2022
Behorend bij K.G. nr. AUA202201401
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[eiseres]
te Aruba,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: de advocaat mr. H.F. Falconi,
tegen:
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INTERPORT LOGISTICS V.B.A. h.o.d.n. INTERPORT LOGISTICS,
te Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: Interport,
gemachtigde: de advocaat mr. D.C.A. Crouch.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 18 mei 2022;
- de brieven met producties zijdens Interport, ingediend op 6 en 8 juni 2022;
- de brieven met producties zijdens [eiseres], ingediend op 7 juni 2022;
- de pleitaantekeningen van partijen;
- de aanvullende pleitaantekening van Interport;
- de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van 9 juni 2022, waarbij aanwezig waren [eiseres] in persoon bijgestaan door haar gemachtigde en Interport, vertegenwoordigd door haar gemachtigde, alsmede [directeur] (huidige directeur) en [voormalige directeur 1] (voormalige directeur).
1.2
Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis zou worden gewezen.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [
eiseres] is op 1 september 2000 bij Stripes Freight Services N.V. in dienst getreden. Op 1 januari 2014 is haar arbeidsovereenkomst overgegaan op Interport. [eiseres] was hier laatstelijk werkzaam in de functie van HR Manager en Finance tegen een brutoloon van Afl. 35.77 per uur.
2.2
In een brief van 1 maart 2018 die ondertekend is door [voormalig directeur 2] (voormalig directeur van Interport) staat, voor zover van belang:

Apreciable Sr. [werknemer]
Por medio de la presente confirmamos que su empleo con Interport, que volvió a empezar con fecha de esta carta, conlleva que Usted mantiene todos sus derechos adquiridos incluyendo 18 anos de servicio (…)”.
2.3
In een brief van 29 september 2020 die ondertekend is door [eiseres] staat, voor zover van belang:

To Whom it May Concern
Dear Sirs,
By means of this letter, I would like to introduce to you, mr. [werknemer], (…) working with us since November 1st 2003 as Warehouse Keeper/Driver.
He is on a 60% of his salary since June 2020. Any service rendered to mr. [werknemer] will be highly appreciated.
2.4
In een waarschuwingsbrief van 23 december 2020 van [voormalig directeur 1] aan [eiseres] staat, voor zover van belang:

Dear [eiseres],
I have taken note of your e-mail to Mr. [werkgever]. You did not have the authority to send this e-mail, nor did you check with me prior to sending this e-mail. You have taken it upon yourself to meddle in affairs that do not concern you and this is unacceptable. Consequently, you are hereby given a warning for your actions. You are forbidden to communicate directly with anybody regarding financial and human resource matters, unless this has been cleared with me first in writing. Failure to do so will result in further disciplinary measures which can include an immediate termination/dismissal. (…)”.
2.5
In een brief van 24 februari 2022 die ondertekend is door [eiseres] staat, voor zover van belang:

To Whom it May Concern
Dear Sirs,
By means of this letter, I would like to introduce to you, mr. [werknemer], (…) working with us since November 1st 2003 as Warehouse Keeper/Driver.
Any service rendered to mr. [werknemer] will be highly appreciated.
2.6
Op 23 maart 2022 is [werknemer] (hierna: [werknemer]), collega van [eiseres], door Interport met behoudt van loon geschorst.
2.7
In een verklaring van 24 maart 2022 die ondertekend is door [eiseres] staat, voor zover van belang:

Bij deze verklaar ik dat de heer [werknemer] zich bij mij heeft gepresenteerd met de pretentie dat hij sinds 2003 onafgebroken werkzaam is geweest bij Interport Logistics VBA en dat dit ook zo geregistreerd moet worden.
Echter tussen 2015 en 2018 heeft [werknemer] niet bij Interport Logistics VBA gewerkt, maar bij een ander bedrijf.
Het blijkt ook dat [werknemer] is uitgeschreven uit de SVB en in 2018 weer opnieuw is ingeschreven bij de SVB omdat hij pas in 2018 weer opnieuw werkzaam is bij Interport Logistics VBA.
Als laatste startdatum bij Interport Logistics VBA staat [werknemer] geregistreerd op 1 maart, 2018 en hij verzoekt steeds om deze datum te veranderen in 1 november 2003.
[werknemer] blijft vragen om dit aan te passen bij de SVB en blijft beweren dat hij een afspraak heeft met Dhr. [toemalige directeur] en Dhr. [voormalig directeur 2] (de toenmalige Directeur van Interport Logistics VBA) dat de jaren die hij niet gewerkt heeft bij Interport Logistics VBA (2015 – 2018) toch geregistreerd moeten worden alsof hij wel onafgebroken werkzaam was bij Interport Logistics VBA.
Ook al blijkt er een afspraak te zijn tussen [werknemer], [voormalig directeur 2]en [toemalige directeur], toch kan ik het verzoek om de start datum van de indiensttreding van [werknemer] te veranderen naar 1 november 2003, niet uitvoeren omdat dit naar mijn mening niet correct is.
2.8
Op 26 april 2022 is [eiseres] door Interport geschorst met behoud van loon hangende een onderzoek naar onjuistheden die door [eiseres], in hoedanigheid van haar functie, in een brief zijn opgenomen met betrekking tot de dienstjaren van [werknemer].
2.9 [
eiseres] is op 3 mei 2022 op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat, voor zover van belang:

In overweging nemende dat:
  • U nagelaten hebt, terwijl U hiertoe de mogelijkheid voor had op 26 april 2022, melding te maken van het feit dat U reeds op 29 september 2020 een brief had gegeven aan [werknemer] waarin zijn startdatum van indiensttreding 1 november 2003 is;
  • U nagelaten hebt op 24 maart 2022 melding te maken van het feit dat U, in tegenstelling tot Uw eigen verklaring van 24 maart 2022, reeds twee brieven (d.d. 29 september 2020 en d.d. 24 februari 2022) had afgegeven aan [werknemer] waarin U aangeeft dat zijn startdatum van indiensttreding 1 november 2003 is. Het had op weg van U gelegen om hier wel melding van te maken, daar U heel goed wist dat Interport Logistics VBA betrokken was in een rechtszaak tegen [werknemer] en waarbij de datum van indiensttreding een rol speelt;
  • U al eerder een waarschuwing hebt gekregen (op 23 december 2020) waarin aan U te kennen is gegeven dat U niet bevoegd bent tot enige vertegenwoordiging handeling met betrekking tot Interport Logistics VBA. Het had U gesierd om tenminste ten aanzien van de brief d.d. 24 februari 2022 hiervan melding te maken bij de directie van Interport Logistics VBA, dit vooral gezien dat U stelt dat U onder druk bent gezet door [werknemer] om deze onderhavige brief af te geven. U weet dat het Interport Logistics VBA onacceptabel is als U verklaringen aflegt namens Interport Logistics VBA;
  • U met de brieven d.d. 29 maart 2020 en d.d. 24 februari 2022, Uw eigenverklaring d.d. 24 maart 2022 tegenspreekt;
(…) Gezien hetgeen in deze brief de revue heeft gepasseerd, wordt U per direct op staande voet ontslagen. (…)“.
2.1
Bij brief van 4 mei 2022 heeft [eiseres] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zich bereid verklaard de overeengekomen arbeid te blijven verrichten.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [
eiseres] vordert dat het Gerecht bij vonnis in kort geding en uitvoerbaar bij voorraad:
a. Interport veroordeelt c.q. beveelt om vanaf 3 mei 2022 [eiseres] haar loon plus emolumenten door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op regelmatige wijze zal zijn beëindigd, vermeerderd met de wettelijke rente en vermeerderd met de verhoging wegens vertraging ex artikel 7:625 BW over het loon, vanaf de dag dat het loon verschuldigd is geworden tot aan de dag der algehele voldoening;
b. Interport beveelt om [eiseres] de ingehouden 32 uur, plus 2 werkdagen te doen uit te betalen, evenals 8% vakantietoeslag, zoals omschreven onder sustenu 7 van dit verzoekschrift;
c. Interport veroordeelt in de proceskosten.
3.2 [
eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij op staande voet is ontslagen, terwijl er geen sprake was van de daartoe vereiste dringende reden.
3.3
Interport heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
3.4
Het Gerecht zal hierna, waar nodig, nader op de standpunten van partijen ingaan.

4.DE BEOORDELING

4.1
Het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vorderingen volgt uit de aard van die vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen.
4.2
In deze op snelheid gerichte procedure moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde stellingen, zonder nader onderzoek en bewijslevering, worden beoordeeld of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevraagde voorziening gerechtvaardigd is.
4.3
Als dringende redenen worden volgens artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
4.4
Uit de ontslagbrief blijkt dat Interport [eiseres] op staande voet heeft ontslagen, omdat [eiseres] (1) nagelaten heeft om op 26 april 2022 melding te maken van het feit dat zij op 26 september 2020 een brief heeft gegeven aan [wernemer] waarin vermeld staat dat zijn startdatum bij Interport 1 november 2003 is, (2) nagelaten heeft om op 24 maart 2022 melding te maken van het feit dat zij op 29 september 2020 en 24 februari 2022 verklaringen heeft afgegeven aan [werknemer] waarin vermeld staat dat zijn startdatum bij Interport 1 november 2003 is, (3) op 23 december 2020 een waarschuwing heeft gekregen omdat zij niet bevoegd is om namens Interport enige vertegenwoordigingshandeling te verrichten en dus wist dat zij niet bevoegd was om namens Interport verklaringen af te leggen en (4) de verklaringen van 29 september 2020 en 24 februari 2022 tegenstrijdig zijn met haar verklaring van 24 maart 2022.
4.5
Ten aanzien van de ontslaggronden 1) en 2) overweegt het Gerecht als volgt.
Vast staat tussen partijen dat de brieven van 29 september 2020 en 24 februari 2022 (zie 2.3 en 2.5) werkgeversverklaringen oftewel referentiebrieven zijn. Zoals door [eiseres] gesteld en door Interport ter zitting desgevraagd bevestigd, gaat het om standaardbrieven die op verzoek voor werknemers worden opgesteld, omdat deze verklaringen door de desbetreffende werknemer moeten worden overgelegd bij bijvoorbeeld het aangaan van een lening, of bij de aankoop van goederen op afbetaling. Los van het doel waarvoor een werkgeversverklaring wordt gebruikt, komt daaraan dan ook geen andere betekenis toe. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat zij de verklaring ten behoeve van [werknemer] op zijn verzoek heeft opgesteld, omdat hij deze nodig had voor de herfinanciering van zijn hypotheek. Ook desgevraagd ter zitting heeft Interport niet kunnen bevestigen dat de verklaring aan [werknemer] is afgegeven in het kader van het arbeidsgeschil tussen hem en Interport. Onder deze omstandigheden valt in het geheel niet in te zien waarom [eiseres] op 24 maart 2022 dan wel op 26 april 2022 aan Interport had moeten melden dat zij ten behoeve van [werknemer] een werkgeversverklaring had opgesteld.
4.6
Ten aanzien van de ontslaggrond 3) overweegt het Gerecht als volgt. Interport stelt dat [eiseres] als een gewaarschuwd mens gold, omdat zij gelet op de waarschuwing van 23 december 2020 moest begrijpen dat zij geen referentiebrieven mocht opstellen. [eiseres] heeft deze stelling van Interport gemotiveerd betwist en stelt naar het oordeel van het Gerecht terecht dat zij uit de waarschuwingsbrief niet kon begrijpen dat zij geen referentiebrieven mocht opstellen. Daarbij wordt in de eerste plaats in aanmerking genomen dat het, zoals hiervoor onder 4.5 is overwogen, gaat om standaard werkgeversverklaringen, met geen ander doel voor een werknemer dan om een verzoek om een lening aan te gaan of goederen op afbetaling aan te kopen te onderbouwen. Voorts blijkt uit de waarschuwingsbrief van 23 december 2020 dat [eiseres] wordt verweten dat zij zonder toestemming met [CFO] (CFO van Interport) heeft gecommuniceerd, en uit de desbetreffende e-mailwisseling tussen [eiseres] en [CFO] blijkt dat het ging over uitbetaling van 100% van het loon van een werknemer waar de vakbond en Interport reeds afspraken over hebben gemaakt. In de communicatie tussen [eiseres] en [CFO] ging het niet over referentiebrieven en in de waarschuwing staat niet vermeld dat het [eiseres] verboden is referentiebrieven op te stellen. Dat [eiseres] onbevoegd was om over “human resource matters” te communiceren is onvoldoende specifiek. [eiseres] was niet uit haar functie als HR-manager ontheven en een referentiebrief is dusdanig standaard dat uit de waarschuwingsbrief van 23 december 2020 niet kan worden afgeleid dat zij in die hoedanigheid zulke brieven niet meer mocht opstellen. [eiseres] kon om die reden niet als een gewaarschuwd mens worden aangemerkt, anders dan door Interport gesteld. Daar komt nog bij dat, zoals [eiseres] onweersproken ter zitting heeft verklaard, Interport in de desbetreffende periode te kampen had met onderbezetting en met spoedeisende financiële aangelegenheden, zodat dit reden te meer was om voor zaken zonder groot belang of hoge prioriteit als het opstellen van een referentiebrief de – destijds pas aangetreden – directeur niet te benaderen.
4.7
Ten aanzien van de ontslaggrond 4) overweegt het Gerecht in de eerste plaats dat, zoals hiervoor is overwogen, referentiebrieven geen betrekking hebben op de rechtspositie of dienstbetrekking van de desbetreffende werknemer, maar bedoeld zijn als referentie voor derden, dat betrokkene een vast dienstverband heeft, waaruit hij een bepaald inkomen genereert. De verklaring van 24 maart 2022 daarentegen is door Interport opgesteld, kennelijk in het kader van het arbeidsgeschil met [werknemer] over de duur van diens dienstbetrekking. De referentiebrieven en de verklaring van 24 maart 2022 hebben dan ook niet dezelfde strekking of betekenis. Voorts is de verklaring van 24 maart 2022 niet door [eiseres] opgesteld, maar door de directeur van Interport, zo heeft deze ter zitting verklaard. De gang van zaken is als volgt geweest, dat de directeur achter zijn bureau zat, met op het scherm van de computer een openstaand document met de verklaring. [eiseres] is uitgenodigd om naast hem te komen zitten, waarna hij de verklaring regel voor regel heeft voorgelezen, het document heeft uitgeprint, opdat [eiseres] het document kon ondertekenen, aldus de directeur. Ook overigens valt niet in te zien waarom deze verklaring moet worden aangemerkt van een verklaring van [eiseres], nu deze in het kader van een arbeidsgeschil tussen Interport en [werknemer] door de directeur van Interport is opgesteld, en Interport ook desgevraagd niet heeft kunnen toelichten welk eigen belang [eiseres] heeft bij die verklaring. Daar komt nog bij dat, zoals [eiseres] heeft gesteld onder verwijzing naar een beschikking van dit Gerecht van 31 mei 2022, EJ nr. AUA202200996, in een procedure tussen [werknemer] en Interport, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat de voormalige directeur van Interport bevoegd was de rechtpositie van [werknemer] te bepalen en vast te leggen zoals hij heeft gedaan bij brief van 1 maart 2018 (zie 2.2), het geschil over de ingangsdatum van de dienstbetrekking van [werknemer] eerst onder de huidige leiding van Interport is ontstaan.
Het Gerecht overweegt ten slotte nog dat, nog daargelaten dat de referentiebrieven en de verklaring van 24 maart 2022 niet dezelfde strekking hebben en om die reden betoogd kan worden dat ze niet met elkaar in strijd zijn, in hoeverre er voor [eiseres] de ruimte bestond om, als medewerker die op het kantoor van de directeur ontboden wordt ter ondertekening van een vooraf door hem opgestelde verklaring, te weigeren de verklaring te ondertekenen.
4.8
De conclusie van het voorgaande is dan ook dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren, mede in aanmerking genomen het dienstverband van ruim 22 jaar van [eiseres] bij Interport, voor het overige kennelijk onberispelijk. Gelet hierop, moet er voorshands vanuit worden gegaan dat de loonvordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Nu niet in geschil is dat Interport sedert mei 2022 geen loon meer heeft betaald, zal het Gerecht de vordering tot het doorbetalen van loon vanaf mei 2022 dan ook toewijzen. [eiseres] heeft onvoldoende gesteld wat de emolumenten inhouden, zodat het Gerecht dit onderdeel van de vordering onder a. niet zal toewijzen.
4.9
De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging zal, in overeenstemming met vaste rechtspraak van dit Gerecht, worden gematigd tot een maximum van 15%.
4.10 [
eiseres] vordert verder betaling van 32 ingehouden werkuren, twee werkdagen en 8% vakantietoeslag. Ter zitting heeft [eiseres] erkend dat zij de 32 ingehouden werkuren reeds uitbetaald heeft gekregen, maar dat zij de salarisslip van eind mei 2022 niet heeft ontvangen om de uitbetaling van de twee niet uitbetaalde werkdagen te controleren. Uit de door Interport overgelegde salarisslip van 27 mei 2022 blijkt dat de twee gewerkte werkdagen zijn uitbetaald en ook de vakantiedagen die [eiseres] nog tegoed had en overwerk. Ten aanzien van de gevorderde vakantietoeslag betwist Interport dat zij deze aan [eiseres] verschuldigd is. Daartoe stelt dat Interport dat zij gelet op haar precaire financiële situatie in overleg met de vakbond vanaf december 2020 geen vakantietoeslag meer heeft betaald. De stelling van [eiseres] dat zij met het eenzijdig aanpassen van haar recht op vakantietoeslag niet heeft ingestemd is, in het licht van de betwisting van Interport, niet verder onderbouwd. Dit had in het licht van de betwisting door Interport wel op haar weg gelegen. Zonder nadere bewijslevering, waarvoor in het kader van dit kort geding geen plaats is, is voorshands niet aannemelijk geworden dat Interport gehouden is de vakantieslag te voldoen. De vordering onder b. zal om die reden worden afgewezen.
4.11
Interport zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, die aan de zijde van [eiseres] worden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, op Afl. 230,65 aan explootkosten en op Afl. 1.500,- aan salaris voor gemachtigde.

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht in kort geding:
5.1
veroordeelt Interport om aan [eiseres] haar achterstallig loon te betalen vanaf mei 2022 en om dit te blijven uitbetalen totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW tot een maximum van 15% over het tot dan toe opeisbaar geworden loon;
5.2
veroordeelt Interport in de kosten van de procedure, die aan de zijde van [eiseres] worden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, Afl. 230,65 aan explootkosten en Afl. 1.500,- aan salaris van de gemachtigde;
5.3
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 29 juni 2022 in aanwezigheid van de griffier.