Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
[Verzoekster],
DE MINISTER VAN JUSTITIE EN SOCIALE ZAKEN,
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
wettelijk kader
verzoek
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Verzoekster, van Haïtiaanse nationaliteit, heeft meerdere tijdelijke verblijfsvergunningen gehad voor huishoudelijk werk, waarvan de laatste geldig was tot 24 juni 2021. Zij werd op 4 april 2022 aangehouden wegens illegaal verblijf en werken zonder geldige vergunning. Verweerder heeft daarop een uitzettingsbevel en een terugkeerverbod van 18 maanden opgelegd.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend om de uitzetting te schorsen, stellende dat zij een nieuwe garantsteller heeft gevonden en een nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning heeft ingediend. Het gerecht heeft dit verzoek behandeld en overwogen dat de bevoegdheid tot uitzetting op grond van de Landsverordening toelating en uitzetting terecht is uitgeoefend.
Het gerecht oordeelt dat het indienen van een aanvraag en betaling van leges niet automatisch leidt tot verlening van een verblijfsvergunning en dat onvoldoende is gebleken dat verzoekster aan de vereisten voldoet. Er is geen concreet zicht op legalisering van haar verblijf. Daarom is geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening en wordt het verzoek afgewezen. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van het uitzettingsbevel en terugkeerverbod wordt afgewezen wegens ontbreken van concreet zicht op legalisering.