ECLI:NL:OGEAA:2022:209

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
21 juli 2022
Publicatiedatum
26 juli 2022
Zaaknummer
397 van 2021
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:31 SrArt. 1:35 SrArt. 1:39 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid minister bij uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling zonder advies CCR

Klager, veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, diende bezwaar in tegen het besluit van de minister om zijn voorwaardelijke invrijheidstelling met zes maanden uit te stellen zonder advies van het Centraal College voor de Reclassering (CCR).

De minister motiveerde het uitstel met recidivegevaar en negatieve adviezen van psychologische en maatschappelijke diensten, ondanks positieve adviezen van de V.I. commissie en de Reclassering. Het gerecht oordeelde dat de minister volgens artikel 1:35 Sr Pro slechts kan afwijken van het CCR-advies ten gunste van de veroordeelde en niet zonder advies het uitstel kan bepalen.

Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard, de beschikking van de minister vernietigd en de voorwaardelijke invrijheidstelling bevolen, onder algemene en bijzondere voorwaarden gericht op gedragsverbetering en toezicht.

Deze uitspraak benadrukt de wettelijke waarborgen rond de voorwaardelijke invrijheidstelling en de rol van het CCR in het besluitvormingsproces.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling zonder CCR-advies is gegrond verklaard en de invrijheidstelling onder voorwaarden bevolen.

Uitspraak

Zaaknummer: 397 van 2021
Datum beschikking: 21 juli 2022
Beschikking gegeven op het bezwaarschrift ex artikel 1:39 van Pro het Wetboek van Strafrecht van Aruba (Sr) van:
[veroordeelde],
wonende in Aruba,
thans gedetineerd in het Korrektie Instituut Aruba (verder: KIA),
klager,
raadsvrouw: mr. E.M.J. Cafarzuza,
tegen:
de Minister van Justitie,
zetelende te Aruba,
verweerder, hierna te noemen de minister,
procesgemachtigden: mrs. A.I.N. Fräser en E.L.W. Teepe.

1.Procesverloop

1.1
Klager heeft op 5 juli 2022 een bezwaarschrift ex artikel 1:39 Sr Pro ingediend tegen de beschikking van de minister van 5 juli 2022 om de voorwaardelijke invrijheidstelling van klager met een termijn van zes (6) maanden uit te stellen. Deze beschikking zal hierna worden aangeduid als de bestreden beschikking.
1.2
Het bezwaarschrift is behandeld op 21 juli 2022, alwaar klager, bijgestaan door zijn raadsvrouw, en de procesgemachtigden van de minister, mrs. A.I.N. Fräser en E.L.W. Teepe, zijn gehoord.
1.3
De beslissing is terstond gegeven.

2.De feiten

2.1
Klager is bij vonnis van dit gerecht van 10 september 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) jaren, met aftrek van voorarrest. Voormelde gevangenisstraf wordt thans ten uitvoer gelegd in het KIA.
2.2
Bij de bestreden beschikking heeft de minister
zonder advies van het Centraal College voor de Reclassering(hierna: CCR) de voorwaardelijke invrijheidstelling van klager met zes (6) maanden uitgesteld met als motivering dat I) klager een notoire recidivist is, II) klagers kans op recidive blijkens het rapport van de Stichting Reclassering en Jeugdbescherming Aruba (verder: de Reclassering) hoog is te noemen, III) klager blijkens het adviesrapport van de afdeling Psychologie ter voorkoming van recidive zijn weerbaarheid dient te versterken en IV) klager blijkens het adviesrapport van de afdeling Maatschappelijk Werk weinig zin heeft om aan een betere toekomst te werken. Daarom bestaan er contra-indicaties die in de weg staan aan het honoreren van de voorwaardelijke invrijheidstelling van klager, aldus de minister.
2.3
De V.I. commissie van de Dienst Gevangeniswezen Aruba (DGWA) en Instituto Coreccional Nacional (ICN), bestaande uit vertegenwoordigers van de afdeling Bevolkingszaken, Maatschappelijk Werk, Binnendienst en de inrichtingspsycholoog, heeft bij brief van 8 maart 2022 positief geadviseerd ter zake de voorwaardelijke invrijheidstelling van klager.
2.4
De Reclassering heeft ook positief geadviseerd terzake de voorwaardelijke invrijheidstelling van klager

3.De beoordeling

3.1
Klager kan in zijn bezwaar worden ontvangen nu het bezwaarschrift tijdig is ingediend.
3.2
De rechtsfiguur van de voorwaardelijke invrijheidstelling is door de wetgever in het leven geroepen en vastgelegd in artikel 1:31 Sr Pro e.v. Door deze aan voorwaarden gebonden (vroegtijdige) invrijheidstelling aan de veroordeelde in het vooruitzicht te stellen wordt getracht het gedrag van de veroordeelde tijdens zijn detentie positief te beïnvloeden. Enerzijds om de orde, rust en veiligheid in de penitentiaire inrichting te handhaven en anderzijds om veroordeelden voor te bereiden op hun terugkeer in de maatschappij. De wetgever heeft de bevoegdheid tot verlening van deze invrijheidstelling toegekend aan de minister.
3.3
Ingevolge artikel 1:35, eerste lid, Sr kan de minister in afwijking van artikel 1:31, eerste en tweede lid, Sr
niet dan na daartoe strekkend adviesvan het CCR bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of achterwege gelaten. Het gerecht leidt uit de Memorie van Toelichting af dat het de uitdrukkelijke wens van de wetgever is geweest aan het onthouden van de voorwaardelijke invrijheidstelling de voorwaarde te verbinden dat het CCR overeenkomstig heeft geadviseerd. De minister heeft derhalve slechts de bevoegdheid ten gunste van de veroordeelde af te wijken van een advies van de CCR tot achterwege laten of uitstellen van de voorwaardelijke invrijheidstelling en heeft
nietde bevoegdheid om
zonder advies van de CCRte bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of achterwege gelaten. De wetgever heeft bij de laatste wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht voornoemd artikel 1:35, eerste lid, Sr niet gewijzigd.
3.4
Nu het CCR in deze zaak geen advies heeft gegeven ten aanzien van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van klager, heeft de minister, gelet op het bepaalde in artikel 1:35, eerste lid, Sr niet de bevoegdheid de voorwaardelijke invrijheidsstelling van klager uit te stellen.
3.5
Het vorenstaande betekent dat het bezwaar van klager gegrond is en de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. Uit de aard van de onderhavige procedure - die blijkens de wetsgeschiedenis in het leven is geroepen met het oog op het verkrijgen van een snelle en duidelijke onherroepelijke rechterlijke uitspraak - volgt dat het gerecht niet met de gegrondverklaring van het bezwaar en de vernietiging van de bestreden beslissing kan volstaan. Het gerecht zal in de plaats van de minister, conform het advies van de V.I. commissie van de DGWA en ICN en de Reclassering, de voorwaardelijke invrijheidstelling van klager bevelen, onder de algemene voorwaarde dat hij zich gedurende een proeftijd van één (1) jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarde dat hij zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van de Reclassering, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt.

4.DE BESLISSING

Het Gerecht:
verklaart het bezwaar gegrond;
vernietigt de bestreden beschikking van de minister van 5 juli 2022;
beveelt de voorwaardelijke invrijheidstelling van klager, met ingang van heden;
verbindt aan die voorwaardelijke invrijheidstelling de algemene voorwaarde dat klager zich voor het einde van de proeftijd, te bepalen op één (1) jaar, niet schuldig zal maken aan enig strafbaar feit;
verbindt aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling de bijzondere voorwaarde dat klager zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van de Reclassering, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt;
bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Deze beschikking is gegeven op 21 juli 2022 door mr. E.M.D. Angela, rechter in voormeld gerecht, in aanwezigheid van de griffier.