ECLI:NL:OGEAA:2022:184

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
28 april 2022
Publicatiedatum
14 juli 2022
Zaaknummer
AUA202001882
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
  • H. Dirksz
  • E.E. de Cuba
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 LvZv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling recht op ziekengeld na twee jaar arbeidsongeschiktheid wegens schouderfractuur

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de Sociale Verzekeringsbank om vanaf 17 juli 2020 geen ziekengeld meer toe te kennen wegens linkerschouderklachten als gevolg van een linker humerus fractuur. Appellante stelt dat zij na een bedrijfsongeval nog steeds klachten heeft en niet volledig arbeidsgeschikt is, en betwist dat zij geen recht meer zou hebben op ziekengeld.

De bank heeft als grondslag aangevoerd dat appellante zich op 17 juli 2018 arbeidsongeschikt heeft gemeld en dat de wettelijke termijn van twee jaar ziekengeld verstreken is. Appellante heeft nagelaten een ongevallenmeldingsformulier in te dienen binnen de gestelde termijn, waardoor geen ongevallengeld is toegekend. Gedurende de periode is zij deels arbeidsgeschikt verklaard.

Het College overweegt dat het geschil zich beperkt tot de vraag of het recht op ziekengeld terecht is beëindigd na twee jaar vanaf de eerste ziekmelding. Volgens artikel 5, eerste lid, van de Landsverordening Ziekteverzekering vervalt het recht op ziekengeld na twee jaar voor dezelfde ziekteoorzaak, ongeacht periodes van arbeidsgeschiktheid.

Het College volgt de jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof en ziet geen reden om hiervan af te wijken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de beslissing van de bank bevestigd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld vervalt na twee jaar vanaf de eerste ziekmelding.

Uitspraak

Uitspraak van 28 april 2022
CVB nr. AUA202001882

COLLEGE VAN BEROEP

UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de Landsverordening Ziekteverzekering (LZv) van:

[APPELLANTE],

wonende in Aruba,
APPELLANTE,
procederende in persoon,
tegen de beslissing van 17 juli 2020 van

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

zetelend in Aruba,
VERWEERDER, hierna te noemen de bank,
gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.

HET PROCESVERLOOP

Bij beslissing van 14 juli 2020, door appellante ontvangen op 16 juli 2020, heeft de bank besloten dat appellante vanaf 17 juli 2020 geen recht meer heeft op toekenning van ziekengeld in verband met linkerschouder klachten met name linker humerus fractuur en complicaties, omdat twee jaren zijn verstreken sinds de melding van voornoemde ziekte.
Tegen deze beslissing heeft appellante op 30 juli 2020 schriftelijk beroep aangetekend.
Op 28 oktober 2020 heeft de bank een verweerschrift ingediend.
Het beroep van appellante is op de bijeenkomst van 25 maart 2021 van dit College behandeld, waar zijn verschenen appellante in persoon, en voor de bank [A], juridisch adviseur, en [B], verzekeringsarts, bijgestaan door de advocaat voornoemd.

OVERWEGINGEN

1.1
Appellante kan zich niet verenigen met de beslissing van de bank om haar geen ziekengeld meer toe te kennen en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld, dat haar op 14 juli 2018 een ongeval op haar werk is overkomen, en dat zij als gevolg hiervan nog steeds, na drie operaties, klachten ondervindt. Zij heeft slechts één week volledig gewerkt maar werkt sindsdien maar voor zes uren in plaats van 8 uren per dag. Zij heeft zich – naar het College begrijpt – op het standpunt gesteld, dat zij aanspraak maakt op ongevallengeld, omdat haar een bedrijfsongeval is overkomen. Nu zij ook niet volledig arbeidsgeschikt is verklaard, vindt appellante het onbegrijpelijk dat de bank stelt dat zij twee jaar arbeidsongeschikt is geweest en daarom geen recht meer heeft op ziekengeld wegens schouderklachten.
1.2
Aan de bestreden beslissing is ten grondslag gelegd, dat appellante zich op 17 juli 2018 arbeidsongeschikt heeft gemeld en onder ziektemeldingskaart 748969 werd gecontroleerd, en dat deze kaart op 17 juni 2020 expireerde.
Als verweer heeft de bank het volgende aangevoerd.
Op 24 juli 2018 is appellante door de bank gecontroleerd. Er was sprake van een linker humerus fractuur. Zij claimde dat zij op 14 juli 2018 op haar werk was gevallen. Appellante werd uitgelegd dat zij een ongevallenmeldingsformulier diende in te leveren om aanspraak te kunnen maken op een tegemoetkoming wegens een bedrijfsongeval. Appellante had tot 14 juli 2019 de tijd om voornoemd formulier in te dienen maar heeft dat niet gedaan. Zij werd gecontroleerd op grond van de LvZv. Vanaf 28 oktober 2019 werd appellante geschikt geacht voor passend werk. Van 12 november 2019 tot en met 30 juni 2020 was appellante 75% arbeidsgeschikt in aangepast werk. Vanaf 1 juli 2020 werd appellante 100% arbeidsgeschikt verklaard in aangepast werk. Vanaf 17 juli 2020 heeft appellante twee jaar tegemoetkoming wegens linker bovenarm fractuur genoten onder ziektemeldingskaart 748969. Vanaf die datum heeft appellante geen aanspraak meer op tegemoetkoming wegens deze ziekte, aldus de bank.
2.1
Het College overweegt ten eerste, dat het onderhavige geschil niet ziet op de vraag of appellante al dan niet terecht geen ongevallengeld heeft ontvangen. Die vraag gaat de grenzen van onderhavig geschil te buiten. Hetgeen appellante daarover naar voren heeft gebracht zal dan ook buiten beschouwing worden gelaten.
2.2
In geschil is de vraag of de bank op goede gronden heeft besloten dat in dit geval sprake is van eenzelfde ziekteoorzaak als bedoeld in de tweede volzin van artikel 5, eerste lid, van de LvZv. Het College neemt bij de beoordeling het volgende in aanmerking.
3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de LvZv, voor zover thans van belang, heeft de werknemer die als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt is, recht op ziekengeld vanaf de vierde dag van de ziekmelding. Het recht op ziekengeld ter zake van eenzelfde ziekteoorzaak vervalt na twee jaar.
4.1
Het College overweegt verder, dat in deze niet in geschil is dat appellante vanaf 17 juli 2018 onder ziektemeldingskaart 748969 aanspraak had op ziekengeld wegens linkerschouder klachten als gevolg van een linker bovenarm fractuur en complicaties. Derhalve had zij vanaf 17 juli 2020 geen aanspraak meer op ziekengeld ter zake van die ziekteoorzaak. Voor een verlenging van de aanspraak op ziekengeld ter zake van dezelfde ziekteoorzaak, biedt de wet geen mogelijkheid.
4.2
Zoals door het College eerder is geoordeeld, en conform de geldende jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba [1] , is de tekst van de wet duidelijk en biedt deze geen ruimte voor een andere uitleg, dan dat de termijn van twee jaren – waarmee twee kalenderjaren worden bedoeld – aanvangt op de eerste dag van ziekmelding. De wettelijke termijn van twee jaren geldt dan ook ongeacht de vraag of binnen die termijn sprake is geweest van periodes van arbeidsgeschiktheid. Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om op deze uitleg terug te komen.
5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

BESLISSING

Het College
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven op 28 april 2022 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, H. Dirksz, en E.E. de Cuba, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Vgl. Hof uitspraak van 9 oktober 2015,