Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
[Appellant],
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
PROCESVERLOOP
.
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Appellant, geboren in 1998 in Haïti en van Haïtiaanse nationaliteit, heeft op 17 mei 2018 een optieverklaring afgelegd voor het Nederlanderschap. Verweerder heeft deze bevestiging geweigerd op grond van artikel 6, eerste lid onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat appellant binnen vijf jaar voorafgaand aan de beslissing strafrechtelijk is veroordeeld.
Appellant was veroordeeld tot jeugddetentie in 2016 en een taakstraf in 2018. De Lar-bezwaaradviescommissie (BAC) heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard na een hoorzitting via videoverbinding, waarbij appellant aanwezig was maar zijn gemachtigde niet. Appellant stelde dat hij niet correct is gehoord omdat de hoorzitting niet fysiek plaatsvond.
Het gerecht oordeelt dat de hoorzitting via videoverbinding rechtmatig was en dat het ontbreken van de gemachtigde voor rekening van appellant komt. Verder is het besluit tot weigering van de optieverklaring terecht omdat de rehabilitatietermijn van vijf jaar nog niet was verstreken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de optieverklaring bevestigd wegens strafrechtelijke veroordelingen binnen de rehabilitatietermijn.