ECLI:NL:OGEAA:2022:122

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
6 april 2022
Publicatiedatum
16 mei 2022
Zaaknummer
AUA202100660
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling wegens onrechtmatige opname banktegoeden door dochter toegewezen

Eiser, vader van gedaagde, gaf in 2014 na een herseninfarct zijn dochter de inloggegevens van zijn bankrekening om betalingen te kunnen verrichten. In 2019 ontdekte eiser dat gedaagde tussen juli 2014 en april 2019 zonder toestemming geld had opgenomen. Gedaagde erkende dit en tekende een schuldbekentenis voor het bedrag van Afl. 88.350,-, vermeerderd met rente en verminderd met een gedeeltelijke terugbetaling.

Eiser vorderde betaling van het openstaande bedrag van Afl. 93.685,- plus buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Gedaagde erkende de schuld maar gaf aan niet in staat te zijn deze af te lossen. Tijdens de comparitie erkende zij de schuld opnieuw.

Het Gerecht oordeelde dat de vordering toewijsbaar is en dat de financiële situatie van gedaagde hieraan niet afdoet. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het volledige bedrag, incassokosten en proceskosten. Tevens werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van Afl. 93.685,-, incassokosten en proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

Vonnis van 6 april 2022
Behorend bij A.R. no. AUA202100660
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS in de zaak van:
[naam eiser],
wonende te Aruba,
eiser,
gemachtigden: de advocaat mr. G. de Hoogd,
tegen:
[naam gedaagde],
wonende te Aruba,
gedaagde,
procederend in persoon.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het vonnis van 2 juni 2021.
1.2
Op 22 maart 2022 heeft -0 na uitstel - een comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen en hebben op vragen van het Gerecht geantwoord.
1.3
Vonnis is vervolgens bepaald op heden.

2.DE FEITEN

2.1
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden, alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden, staat onder meer het volgende vast tussen partijen.
2.2
Eiser is de vader van gedaagde.
2.3
In 2014 heeft eiser, na een herseninfarct te hebben gehad, aan gedaagde de inloggegevens van zijn Nederlandse bankrekening gegeven, zodat gedaagde zo nodig betalingen voor hem zou kunnen verrichten.
2.4
In 2019 is eiser gebleken dat gedaagde in de periode juli 2014 tot en met april 2019 zonder zijn toestemming gelden van zijn rekening had opgenomen.
2.5
Op 18 september 2019 heeft gedaagde een schuldbekentenis getekend, waarin zij verklaart een bedrag van Afl. 88.350,- aan eiser te zijn verschuldigd, verminderd met een bedrag van Afl. 2.500,- dat zij aan eiser heeft terugbetaald en vermeerderd met een op dat moment overeengekomen rente van 10% over de hoofdsom. Gedaagde verklaart voorts derhalve per 18 september 2019 een bedrag van Afl. 94.685,- verschuldigd te zijn en dit bedrag in maandelijkse termijnen van minimaal Afl. 1.000,- at te lossen, met dien verstande dat zij in de maanden oktober 2019 en november 2019 Afl. 500,- zal aflossen. In de schuldbekentenis is verder bepaald dat als de schuld niet wordt afgelost, deze direct opeisbaar is en dat gedaagde (in dat geval) onder meer buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd.
2.6
Gedaagde heeft nadien, ondanks aanmaning, in totaal Afl. 1.000,- afgelost.

3.DE VORDERING

3.1
Eiser vordert dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeelt om aan eiser te betalen een bedrag van Afl. 93.685,-, vermeerderd met Afl. 700,- aan buitengerechtelijke incassokosten en met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.
3.2
Gedaagde erkent het gevorderde bedrag verschuldigd te zijn, maar voert aan niet bij machte te zijn (geweest) de schuld af te lossen.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover voor de uitspraak van belang – ingegaan.

4.DE BEOORDELING

4.1
Gedaagde heeft ook op zitting erkend zonder toestemming van eiser gelden van diens bankrekening te hebben opgenomen en het resterende bedrag van Afl. 93.685,- aan eiser verschuldigd te zijn. Gelet hierop is de vordering van eiser toewijsbaar. Dat gedaagde in financieel slechte omstandigheden heeft verkeerd, doet daar niet aan af.
Zoals ter zitting besproken zal gedaagde haar financiële situatie in kaart moeten brengen, zodat zij met de door eiser (ter zitting aangezegde) in te schakelen deurwaarder een (nieuwe) betalingsregeling kan proberen te treffen.
4.2
Gedaagde wordt als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van eiser gevallen. Deze kosten worden tot op heden begroot op Afl. 940,- aan griffierecht, Afl. 213,35 aan verschotten en Afl. 3.000,- (2 punten tarief 6) aan salaris advocaat. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden als onweersproken eveneens toegewezen.

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
5.1
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van een bedrag van Afl. 93.685,-;
5.2
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van Afl. 700,- aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.3
veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, aan de zijde van eiser tot op heden begroot op Afl. 940,- aan griffierecht, Afl. 213,35 aan verschotten en Afl. 3.000,- (2 punten tarief 6) aan salaris gemachtigde;
5.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 6 april 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.