Uitspraak
1.DE PROCEDURE
2.DE VASTSTAANDE FEITEN
“korporaal”tegen een loon van Afl. 1.765,-- per maand.
3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
cessantia-uitkering, belang bij zijn verzoek.
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
De werknemer is sinds 1992 in dienst bij RMH en was vanaf oktober 2017 tot oktober 2019 arbeidsongeschikt door een cerebrovasculair accident. Na hervatting van werkzaamheden in oktober 2019 werkte hij voor het laatst op 4 augustus 2020. Op 22 augustus 2020 ontving de werknemer een brief waarin een ultimatum werd gesteld om terug te keren naar het werk of arbeidsongeschiktheid aan te tonen, met de waarschuwing dat bij uitblijven van reactie het dienstverband zou worden beëindigd.
De werknemer reageerde niet op het ultimatum en RMH stelde dat de werknemer op die datum ontslag had genomen en de arbeidsovereenkomst was geëindigd. De werknemer stelde echter dat hij nooit ondubbelzinnig ontslag had genomen en dat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurde.
De rechter oordeelde dat de brief niet als een ondubbelzinnige wilsuiting van ontslag kon worden gezien en dat de werkgever onvoldoende had onderzocht of de werknemer daadwerkelijk zijn ontslag had gewild. Omdat partijen na 22 augustus 2020 geen contact meer hadden en de werkgever geen gesprek had gezocht, kon niet worden aangenomen dat de werknemer ontslag had genomen.
Daarom werd verklaard dat de arbeidsovereenkomst onverkort voortduurt. Het verzoek van de werknemer werd toegewezen en het tegenverzoek van RMH tot beëindiging van het dienstverband werd afgewezen. RMH werd veroordeeld in de proceskosten van beide procedures.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst blijft onverkort van kracht omdat geen ondubbelzinnige ontslagwilsuiting van de werknemer is vastgesteld.