ECLI:NL:OGEAA:2021:261
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.E.B. de Haseth
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot opheffing administratiefrechtelijke inbewaringstelling afgewezen
Op 9 januari 2021 heeft de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie een administratiefrechtelijke inbewaringstelling bevolen van verzoeker, een Chinese nationaliteit dragende persoon. De rechter-commissaris heeft op 11 januari 2021 de rechtmatigheid van deze inbewaringstelling bevestigd. Verzoeker heeft vervolgens op 14 januari 2021 een verzoek tot opheffing van de inbewaringstelling ingediend, waarbij hij aanvoerde dat een positieve verklaring tot toetreding van de Arubaanse arbeidsmarkt en een aanvraag voor een verblijfsvergunning de voortzetting van de bewaring onrechtmatig maken.
Tijdens de zitting op 27 januari 2021 heeft de minister verklaard dat het beleid om een beslissing op een verblijfsvergunningsaanvraag af te wachten sinds juni 2020 niet meer van kracht is en dat een positieve arbeidsmarktverklaring niet automatisch leidt tot een verblijfsvergunning. De minister gaf tevens aan dat verzoeker nog niet kon worden uitgezet omdat hij weigerde zijn paspoort te overleggen, maar dat er wel zicht is op uitzetting binnen korte termijn.
De rechter-commissaris oordeelde dat het eerdere oordeel over de rechtmatigheid van de inbewaringstelling onherroepelijk is en dat de beoordeling zich nu beperkt tot de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring. Gezien de korte verstreken tijd sinds de eerdere toetsing en het zicht op uitzetting, achtte de rechter-commissaris het voortduren van de bewaring rechtmatig. Het verzoek tot opheffing werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de administratiefrechtelijke inbewaringstelling wordt afgewezen omdat het voortduren van de bewaring rechtmatig is.