ECLI:NL:OGEAA:2021:254
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak wegens gebrek aan gegronde vrees voor vervolging
Verzoekster, van Venezolaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in Aruba in die door de minister van Justitie werd afgewezen. Tegen deze afwijzing maakte zij bezwaar en verzocht zij om een voorlopige voorziening om de uitzetting te schorsen.
De voorzieningenrechter beoordeelde of verzoekster gegronde vrees voor vervolging had of een reëel risico liep op foltering of onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Venezuela. Verzoekster baseerde haar asielverzoek op bedreigingen vanwege haar werk op een school die als stemlokaal diende en haar vermeende oppositiehouding.
De rechter oordeelde dat de verklaringen van verzoekster vaag en tegenstrijdig waren en niet ondersteund werden door documenten. Tevens woog mee dat verzoekster meerdere keren zonder problemen tussen Venezuela en Aruba reisde. De algemene situatie in Venezuela is zorgelijk, maar vormt geen individueel risico dat een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert.
Daarom is niet aannemelijk dat verzoekster vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen en de uitzetting kan doorgaan. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen gegronde vrees voor vervolging of risico op schending van artikel 3 EVRM is vastgesteld.