ECLI:NL:OGEAA:2021:131

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
30 maart 2021
Publicatiedatum
13 april 2021
Zaaknummer
AUA202001310
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.H.M. van de Leur
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1613x BWArt. 7A:1613y BWLma
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging arbeidsovereenkomst en afwijzing doorbetaling loon bij Land Aruba

Verzoeker was sinds 2010 in verschillende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in dienst van het Land Aruba, laatstelijk een overeenkomst van zes maanden die eindigde op 1 mei 2019. Verzoeker stelde dat er sprake was van een voortdurende arbeidsovereenkomst en dat hij recht had op doorbetaling van loon vanaf 1 mei 2019.

Het Land Aruba voerde verweer en stelde dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig was beëindigd en dat er geen verlenging of nieuwe overeenkomst was overeengekomen. Verzoeker beriep zich op toezeggingen en besluiten van de ministerraad, maar kon geen concrete of bevoegde toezeggingen aantonen.

Het Gerecht concludeerde dat de arbeidsovereenkomst van verzoeker van rechtswege is geëindigd per 1 mei 2019. De stellingen over gerechtvaardigd vertrouwen op verlenging faalden, mede omdat besluiten van de ministerraad en toezeggingen van ministers niet bindend zijn voor benoeming of verlenging.

Daarom wees het Gerecht het verzoek van verzoeker af en veroordeelde hem in de proceskosten, die nihil werden begroot omdat het Land werd vertegenwoordigd door een ambtenaar. De beschikking werd uitgesproken op 30 maart 2021.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst van verzoeker met het Land Aruba is rechtsgeldig geëindigd per 1 mei 2019 en zijn loonvorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

Beschikking van 30 maart 2021
E.J. no. AUA202001310
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende in Aruba,
verzoeker,
hierna ook te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd,
tegen:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
HET LAND ARUBA,
zetelend in Aruba,
verweerder,
hierna ook te noemen: het Land,
gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ).

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-het verzoekschrift met producties;
-het verweerschrift met producties;
-de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 3 november 2020.
1.2
Ter zitting zijn verschenen [verzoeker] met zijn gemachtigde en het Land bij zijn gemachtigde. [verzoeker] heeft gebruik gemaakt van de aan hem geboden gelegenheid om bij wijze van repliek te reageren op het verweerschrift, en dat mede aan de hand van een overgelegde en voorgedragen pleitnota voorzien van toegelaten nadere producties. Het Land heeft vervolgens gebruik gemaakt van de aan hem geboden gelegenheid om bij wijze van dupliek te reageren op die reactie van [verzoeker], en dat eveneens aan de hand van een overgelegde en voorgedragen pleitnota.
1.3
Beschikking is nader bepaald op heden.
2. DE VASTSTAANDE FEITEN
2.1
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.
2.2 [
verzoeker] is krachtens een tussen partijen op 20 februari 2013 gesloten arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van 1 jaar op 1 november 2010 in loondienst getreden van het Land en als medewerker tewerkgesteld bij het Departemento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero (hierna: DIMAS).
2.3
Voormelde arbeidsovereenkomst is verlengd tot 1 november 2013.
2.4
Op 17 december 2014 hebben partijen een arbeidsovereenkomst gesloten voor de bepaalde tijd van 4 jaren krachtens welke [verzoeker] per 1 november 2013 in loondienst is getreden van het Land in de functie van onderzoeksmedewerker. Na ommekomst van deze arbeidsovereenkomst heeft [verzoeker] zonder nadere schriftelijke overeenkomst zijn werkzaamheden voor het Land voortgezet tot 1 november 2018.
2.5
Op 22 februari 2019 hebben partijen een arbeidsovereenkomst gesloten voor de bepaalde tijd van 6 maanden krachtens welke [verzoeker] per 1 november 2018 in loondienst is getreden van het Land in de functie van administratief medewerker geplaatst bij het DIMAS.
2.6
Bij schrijven van 27 maart 2019 heeft het Land onder meer aan [verzoeker] te kennen gegeven dat zijn (hiervoor onder 2.5 vermelde) arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [
verzoeker] verzoekt dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:
a. voor recht verklaart dat sprake is van een voortdurende arbeidsovereenkomst tussen partijen die nog niet rechtsgeldig is beëindigd;
b. het Land veroordeelt tot (door)betaling aan [verzoeker] van zijn loon gerekend vanaf 1 mei 2019 totdat zijn arbeidsovereenkomst met het Land rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
c. enige andere juist voorkomende subsidiaire beslissing neemt;
d. het Land veroordeelt in de proceskosten.
3.2
Het Land voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door [verzoeker] verzochte.
3.3
Voorzover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4.DE BEOORDELING

4.1
Voor de beantwoording van de vraag of [verzoeker] al dan niet onverkort krachtens een arbeidsovereenkomst in loondienst is van het Land zoals door hem gesteld wordt voorop gesteld dat het beroep van [verzoeker] op de voor ambtenaren (en mogelijk ook voor daarmee gelijkgestelden) geldende bepalingen uit Lma faalt, omdat gesteld noch is gebleken dat [verzoeker] een bij Landsbesluit benoemde ambtenaar was/is in dienst van het Land en evenmin is gesteld of gebleken dat uit enige met het Land gesloten arbeidsovereenkomst volgt dat [verzoeker] een met ambtenaren gelijkgestelde was/is waarop de bepalingen van de Lma van toepassing zijn verklaard. Verder wordt vooropgesteld dat krachtens het tweede lid van artikel 7A:1613y BW onder meer artikel 7A:1613x BW niet van toepassing is op onder meer de hiervoor onder 2.5 vermelde tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst.
4.2
Vorenstaande brengt mee dat het Land rechtsgeldig arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kon sluiten met [verzoeker] zoals het telkens heeft gedaan. Uit de hiervoor onder 2.5 vermelde laatstelijk tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van 6 maanden volgt dat die in beginsel van rechtswege eindigde per 1 mei 2019. Gesteld noch is gebleken immers dat partijen verlenging van die overeenkomst zijn overeengekomen, terwijl ook niet is gesteld of gebleken dat [verzoeker] na ommekomst van deze arbeidsovereenkomst zijn werkzaamheden voor het Land onverkort heeft voortgezet.
4.3
Onder randnummer 4. van zijn pleitnota stelt [verzoeker] dat aan hem op verschillende momenten te kennen is gegeven (het Gerecht begrijpt: is toegezegd) dat hij een vaste betrekking zou krijgen. Verder stelt [verzoeker] dat de ministerraad van 7 augustus 2017 heeft besloten om de arbeidsovereenkomsten voor de groep personen waartoe [verzoeker] behoorde te verlengen. [verzoeker] stelt dat hij aan dit alles het gerechtvaardigd vertrouwen mocht en mag ontlenen dat zijn laatstelijke arbeidsovereenkomst zou worden verlengd. Dit door het Land bestreden betoog faalt omdat in het algemeen geldt dat derden waaronder begrepen [verzoeker] aan besluiten van de ministerraad geen rechten kunnen ontlenen, terwijl is gesteld noch gebleken welke bevoegde persoon precies bedoelde beweerdelijke toezeggingen zou hebben gedaan, en evenmin is gesteld wanneer precies die toezeggingen zouden zijn gedaan. Hierbij wordt nog overwogen dat uit het door [verzoeker] overgelegde schrijven van 10 september 2020 van ex minister [naam ex minister] geen enkele door die ex-minister of enige andere bevoegde persoon gedane concrete toezegging blijkt in de door [verzoeker] gestelde zin. Overigens, en dat ten overvloede, heeft te gelden dat een minister (welke minister dan ook) net als de ministerraad niet het voor benoeming van ambtenaren bevoegde gezag is, hetgeen met zich brengt dat [verzoeker] aan enige beslissing van die raad en/of toezegging van enige minister geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat hij zou worden benoemd als ambtenaar in dienst van het Land.
4.4
De slotsom luidt dat vast komt te staan dat de laatstelijke arbeidsovereenkomst van [verzoeker] met het Land van rechtswege is geëindigd per 1 mei 2019. Dat betekent dat alle vorderingen van [verzoeker] als zijnde ongegrond worden afgewezen.
4.5 [
verzoeker] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de koste van deze procedure gevallen aan de zijde van het Land, tot aan deze uitspraak begroot op nihil omdat het Land in deze procedure werd vertegenwoordigd door een ambtenaar in dienst van het Land.
5. DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
-wijst af het door [verzoeker] verzochte;
-veroordeelt [verzoeker] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van het Land, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 30 maart 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.