ECLI:NL:OGEAA:2021:106

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
25 maart 2021
Publicatiedatum
2 april 2021
Zaaknummer
AUA202002096
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
  • E. de Cuba
  • H. Dirksz
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 LvZv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tegemoetkoming ziekengeld wegens alcoholgerelateerde ziekte

Appellante heeft een beroep ingesteld tegen de beslissing van de Sociale Verzekeringsbank om haar geen ziekengeld toe te kennen wegens arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door alcoholische hepatitis. De bank baseerde haar besluit op artikel 7 van Pro de Landsverordening Ziekteverzekering (LvZv), dat ziekten door alcoholgebruik uitsluit van recht op tegemoetkoming.

Appellante stelde dat haar psychische problemen, waaronder depressieve stoornis en insomnia, hebben geleid tot haar alcoholgebruik en dat zij geen opzet of grove schuld had bij het ontwikkelen van haar alcoholverslaving. Desondanks bleek uit medische stukken dat zij dagelijks meer dan een fles wijn dronk en dat haar ziekte direct verband hield met alcoholgebruik.

Het College oordeelde dat de wetgever expliciet ziekten door alcoholgebruik heeft uitgesloten van ziekengeld en dat de bank daarom terecht de tegemoetkoming heeft geweigerd. Omdat appellante niet is verschenen op de zitting en haar verweer onvoldoende was om het besluit te herzien, verklaarde het College het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de weigering van ziekengeld bevestigd.

Uitspraak

Uitspraak van 25 maart 2021
CVB nr. AUA202002096
COLLEGE VAN BEROEP
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening Ziekteverzekering (LvZv) van:
[Appellante],
wonende in Aruba,
APPELLANTE,
procederend in persoon,
tegen de beslissing van 30 juli 2020 van
DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,
gevestigd te Aruba,
VERWEERDER, hierna te noemen de bank,
gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Bij beschikking van 30 juli 2020, door appellante ontvangen op 4 augustus 2020, heeft de bank besloten dat appellante geen recht heeft op een tegemoetkoming overeenkomstig de LvZv in verband met arbeidsongeschiktheid wegens alcoholische hepatitis vanaf 17 juli 2020, aangezien die ziekte te wijten is aan het gebruik van alcoholhoudende drank of bedwelmende middelen.
1.2
Hiertegen heeft appellante op 25 augustus 2020 beroep aangetekend bij dit College.
1.3
Op 15 oktober 2020 heeft de bank een verweerschrift ingediend.
1.4
Het beroep van appellante is behandeld op de bijeenkomst van 28 januari 2021, waar zijn verschenen voor de bank, mr. B. Every, juridisch adviseur en drs. de Graaf, verzekeringsarts, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Appellante is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.

2.DE OVERWEGING

2.1
Appellante kan zich niet verenigen met de beslissing van de bank om haar geen ziekengeld toe te kennen. Zij stelt zich daarbij op het standpunt dat haar psychische problemen, namelijk depressieve stoornis, insomnia en echtscheidingsproblemen, hebben geleid tot alcoholgebruik. Haar psychische problemen worden erkend als ziekte, zoals blijkt uit het Handboek DSM 5, aldus appellante. Zij vraagt om tegemoetkoming, omdat zij niet met opzet of grove schuld een alcoholverslaving heeft ontwikkeld.
2.2
Ter beoordeling ligt voor de vraag of de bank terecht heeft besloten aan appellante geen ziekengeld uit te keren.
2.3
In artikel 7 van Pro de LvZv zijn de gevallen opgenomen, waarin een arbeider geen recht op tegemoetkoming kan doen gelden. Voor zover hier van belang bepaalt artikel 7, eerste lid en onder a van de LvZv dat de arbeider geen recht op tegemoetkoming heeft of dit recht verliest indien de ziekte te wijten is aan het gebruik van alcoholhoudende drank of bedwelmende middelen.
2.4
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellante zich op 17 juli 2020 arbeidsongeschikt meldde en dat zij van 10 tot en met 14 juli 2020 in het ziekenhuis was opgenomen met klachten van hepatitis. In de ontslagbrief van het ziekenhuis staat vermeld dat appellante te kennen heeft gegeven dagelijks iets meer dan een fles wijn te drinken, en dat bij haar onder andere sprake is van “
leversteatosis en alcohol abuses met hepatitis dd alcoholische hepatitis met beeld van forse hepatomegaly, en problematisch alcohol gebruik”.
2.5
Naar het oordeel van het College volgt uit het voorgaande dat de ziekte waarvoor appellante tegemoetkoming heeft geclaimd, veroorzaakt is door het gebruik van alcohol. Nu de wetgever dergelijke ziektes heeft uitgesloten van het recht op ziekengeld, heeft de bank naar het oordeel van College terecht besloten aan appellante geen tegemoetkoming toe te kennen.
2.6
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van appellante ongegrond is.

3.DE BESLISSING

Het College:
- verklaart het beroep van appellante ongegrond.
Aldus gegeven op 25 maart 2021 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, E. de Cuba en H. Dirksz, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris.