Uitspraak
1.DE PROCEDURE
2.DE VASTSTAANDE FEITEN
Onderwerp: opzegging dienstverband
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
De zaak betreft een geschil tussen [verzoeker] en het Land Aruba over de beëindiging van een arbeidsovereenkomst. [verzoeker] was sinds 1 augustus 2011 in dienst als sportcoördinator en ontving een arbeidsovereenkomst die liep tot 31 oktober 2017. Na een regeringswisseling werd hem bij brief van 27 december 2017 meegedeeld dat zijn dienstverband zou eindigen per 31 januari 2018.
[verzoeker] heeft zich na de beëindiging meerdere malen gemeld voor werk, maar werd telkens weggestuurd en ontving geen loon, inclusief het Gelijk Bedrag en de Bashi-premie, over de maanden november 2017 tot en met januari 2018. Hij vorderde betaling van dit loon en een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.
Het Land betwistte het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst na 17 november 2017 en stelde dat de opzeggingsbrief geen nieuwe arbeidsovereenkomst creëerde. Het Gerecht oordeelde echter dat sprake was van een verlengde of nieuwe arbeidsovereenkomst en dat de opzegging niet voldeed aan de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het Land hield onvoldoende rekening met de positie van [verzoeker], die 50 jaar oud is en beperkte kansen op de arbeidsmarkt heeft.
Het Gerecht veroordeelde het Land tot betaling van het achterstallige loon, inclusief de premies, en een schadevergoeding van bruto 35.000 gulden, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werd het Land veroordeeld in de proceskosten. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het Land Aruba is veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, een schadevergoeding van 35.000 gulden en proceskosten wegens onredelijke opzegging.