ECLI:NL:OGEAA:2019:562
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.H.M. van de Leur
- Rechtspraak.nl
Verklaring voor recht en loonbetaling wegens voortgezet dienstverband bij Land Aruba
Verzoeker was sinds 1 januari 2014 in dienst van het Land Aruba voor bepaalde tijd als dispatcher. Na afloop van de arbeidsovereenkomst van drie jaar heeft verzoeker zijn werkzaamheden stilzwijgend voortgezet tegen betaling van loon. De ministerraad besloot de aanvankelijke arbeidsovereenkomst te verlengen tot 31 december 2018. Na die datum werd verzoeker niet meer toegelaten tot zijn werk en ontving geen loon meer.
Het Land stelde dat de arbeidsovereenkomst per 31 december 2018 was geëindigd, maar het Gerecht oordeelde dat er op 1 januari 2018 een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand was gekomen, omdat de werkzaamheden zonder tegenspraak werden voortgezet en geen bepaalde duur was afgesproken. De verlenging door de ministerraad kon het Land niet baten omdat die betrekking had op de eerdere overeenkomst.
Het Gerecht veroordeelde het Land om het loon vanaf 1 januari 2019 te betalen met een gematigde wettelijke verhoging van maximaal 18%. Tevens werd het Land bevolen verzoeker binnen vijf dagen na betekening weder te werk te stellen, met een dwangsom van Afl. 150 per dag, gemaximeerd op Afl. 50.000. Het Land werd veroordeeld in de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de verklaring voor recht.
Uitkomst: Verzoeker is nog steeds in dienst van het Land Aruba en het Land is veroordeeld tot loonbetaling, wedertewerkstelling en dwangsom.