ECLI:NL:OGEAA:2019:362
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake verblijfsvergunning ouder landskind
Verzoekster, een Venezolaanse moeder van een minderjarige zoon met Nederlandse nationaliteit verkregen door erkenning, heeft een verblijfsvergunning aangevraagd op Aruba vanwege haar bijzondere band met haar zoon. De aanvraag werd afgewezen omdat de minderjarige niet op Aruba geboren is, een voorwaarde in het toelatingsbeleid.
Verzoekster stelde dat het beleid de belangen van Nederlandse kinderen beperkt en beroept zich op artikel 3 IVRK Pro en artikel 8 EVRM Pro, alsmede het Chavez-Vlichez-arrest van het HvJ EU. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beleid gerechtvaardigd is en dat artikel 8 EVRM Pro geen absoluut recht op toelating geeft. Het gezinsleven met de vader op Aruba is onvoldoende onderbouwd als argument.
De rechter stelt dat het belang van het kind wel moet worden meegewogen, maar dat dit niet betekent dat ouders niet uitgezet mogen worden of automatisch een vergunning moeten krijgen. Eventuele gebreken in de belangenafweging kunnen in bezwaar worden hersteld. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaarschrift geen redelijke kans van slagen heeft.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.