ECLI:NL:OGEAA:2019:357

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
19 juni 2019
Publicatiedatum
24 juni 2019
Zaaknummer
AUA201901431
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 436 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis kort geding over nakoming arbeidsovereenkomst en wedertewerkstelling

Eiseres heeft het Land Aruba gedagvaard wegens niet-nakoming van een eerdere beschikking waarin het Land was veroordeeld tot integrale nakoming van de arbeidsovereenkomst, waaronder betaling van loon vanaf 31 augustus 2018 en wedertewerkstelling in haar laatste functie.

Het Land heeft geweigerd het loon volledig te betalen en eiseres niet in staat gesteld haar normale werkzaamheden uit te voeren, mede doordat zij geen uniform ontving en daardoor niet toegelaten werd tot beveiligde gebieden. Eiseres vordert betaling van achterstallig loon en gespecificeerde wedertewerkstelling, waaronder verstrekking van uniform en benodigdheden, met dwangsommen bij niet-naleving.

Het Land voerde geen inhoudelijk verweer tijdens de zitting, maar meldde dat de minister de arbeidsovereenkomst wil opzeggen en verzocht om matiging van een eventuele dwangsom. Het gerecht oordeelt dat het Land gehouden is zich te houden aan rechterlijke uitspraken en veroordeelt het Land binnen 72 uur na betekening het uniform en benodigdheden te verstrekken, eiseres op te nemen in het dienstrooster en weder te werk te stellen zoals bepaald in de eerdere beschikking. Bij niet-naleving geldt een dwangsom van Afl. 250,- per dag tot maximaal Afl. 25.000,-. Tevens wordt het Land veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het Land Aruba wordt veroordeeld tot nakoming van de arbeidsovereenkomst met betaling van loon, verstrekking van uniform en wedertewerkstelling, met dwangsommen bij niet-naleving.

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 19 juni 2019
Behorend bij K.G. AUA201901431
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[Eiseres],
te Aruba,
EISERES, hierna ook te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. E.E. Rosenstand,
tegen:
HET LAND ARUBA,
te Aruba,
GEDAAGDE, hierna ook te noemen: het Land,
gemachtigde: DWJZ.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- de akte wijziging eis;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 7 juni 2019.
1.2
Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis zou worden gewezen.

2.HET GESCHIL EN DE BEOORDELING

2.1
Het Land is bij beschikking van dit gerecht van 2 april 2019 (zaaknummer AUA201803174) onder meer veroordeeld tot integrale nakoming van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst door [eiseres] zonder tegenwerking haar werkzaamheden te laten verrichten en [eiseres] haar loon te betalen vanaf 31 augustus 2018 en om het loon te blijven betalen op de gebruikelijke tijden en uren zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt; alsmede om [eiseres] weer te werk te stellen in haar laatste functie en om haar weer tot het werk toe te laten.
2.2
De beschikking is op 16 april 2019 betekend aan het Land. Het Land heeft geweigerd om (volledig) uitvoering te geven aan de beschikking. [eiseres] klaagt er in onderhavig kort geding over dat haar loon niet wordt betaald, zij haar uniform niet krijgt en ook haar normale taken niet kan uitoefenen.
2.3
Bij gewijzigde eis heeft [eiseres] thans gevorderd de betaling van Afl. 1.895,- wegens achterstallig loon, op verbeurte van een dwangsom en een gespecificeerde wedertewerkstelling, waaronder de afgifte van een uniform, het inroosteren en het ter beschikking geven van benodigdheden om haar werk te kunnen doen, eveneens op verbeurte van een dwangsom. Aan deze vorderingen heeft zij ten grondslag gelegd dat het Land tot na het instellen van het kort geding heeft geweigerd het salaris te betalen en dat nu nog een klein deel resteert. Daarnaast verhindert de leidinggevende uitvoering te geven aan het vonnis. [eiseres] vult haar dagen met kleine klusjes, maar kan zonder uniform niet haar werk doen, omdat zij niet in alle (beveiligde) gebieden wordt toegelaten.
2.4
Het Land heeft ter zitting geen verweer gevoerd, omdat de gemachtigde geen informatie over deStrafrechtZittingsplaats heeft gekregen..Hij heeft wel bericht gekregen dat de minister minister arbeidsovereenkomst met[eiseres] wil opzeggen. Hij verzoekt verzoekt matigingmatiging van an een (eventuele dwangsom.
2.5
Bij haar vordering tot betaling van het geldbedrag van Afl. 1.895,- heeft [eiseres] geen belang, nu de verplichting tot doorbetaling van het loon al is opgenomen in de beschikking van 2 april 2019. Zij heeft er nog op gewezen dat beslag onder het Land op goederen die voor de openbare dienst bestemd zijn niet mogelijk is (art. 436 Rv Pro). Dat laatste is juist, maar hieruit vloeit ook de verplichting van het Land voor om zich te houden aan rechterlijke uitspraken en de gevolgen van het niet nakomen voor haar rekening te nemen. Het gerecht wijst het Land uitdrukkelijk op deze verplichting, die ook het vertrouwen in de overheid raakt.
2.6
Het Land weigert voorts om [eiseres] behoorlijk te werk te stellen. Bij de thans geformuleerde vordering, thans voorzien van een dwangsom, heeft [eiseres] wel belang, nu het Land zonder reden haar niet toelaat tot het werk. Het Gerecht zal de dwangsom in na te melden zin toewijzen, en ook een maximum daaraan verbinden.
2.7
Als de in voornamelijk in het ongelijk gestelde partij wordt het Land in de kosten van het geding veroordeeld.

3.DE UITSPRAAK

Het gerecht:
veroordeelt het Land om binnen 72 uur na betekening van dit vonnis aan [eiseres] haar uniform en benodigdheden voor het verrichten van haar reguliere werkzaamheden te geven alsmede om haar weer op te nemen in het dienstrooster en haar voorts weder te werk te stellen zoals opgenomen in de uitspraak van 2 april 2019 (AUA201803174), op straffe van een dwangsom van Afl. 250,- per dag dat het Land nalatig is om aan deze veroordeling gevolg te geven, tot een maximum van Afl. 25.000,- aan te verbeuren dwangsommen;
veroordeelt het Land in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [eiseres] worden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, Afl. 228,21 aan explootkosten en Afl. 2.500,- aan salaris van de gemachtigde;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Sap, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag, 19 juni 2019 in aanwezigheid van de griffier.