ECLI:NL:OGEAA:2019:343

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
6 juni 2019
Publicatiedatum
12 juni 2019
Zaaknummer
135 van 2019
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 385 lid 3 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken van voldoende steunbewijs bij ontuchtige handelingen minderjarige

Op 6 juni 2019 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige op 9 november 2016. De officier van justitie had een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf geëist, terwijl de verdediging vrijspraak vorderde.

Tijdens de terechtzitting op 16 mei 2019 werd vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en het openbaar ministerie ontvankelijk was. Het bewijs bestond voornamelijk uit de verklaring van het vermeende slachtoffer en enkele getuigenverklaringen van familieleden, die echter geen onafhankelijk steunbewijs boden. De rechter benadrukte dat volgens artikel 385 lid 3 Sv Pro een veroordeling niet mag worden gebaseerd op de verklaring van slechts één getuige zonder aanvullend bewijs.

De verklaringen van de ouders en de audio-opname van het slachtoffer boden geen voldoende steun voor de beschuldigingen, omdat deze steeds terug te voeren waren op het slachtoffer zelf. Er was geen bewijs dat de verdachte daadwerkelijk de ten laste gelegde handelingen had verricht. Daarom werd de verdachte vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende steunbewijs voor de ten laste gelegde ontuchtige handelingen.

Uitspraak

Parketnummer: P-2017/07478
Zaaknummer: 135 van 2019
Uitspraak: 6 juni 2019 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],
wonende in Aruba, [adres]
.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2019. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Marchena, advocaat in Aruba.
De officier van justitie, mr. P.A.J. van der Biezen, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren. Tevens is gevorderd om aan de verdachte een taakstraf op te leggen, bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderdveertig (140) uren, voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, te vervangen door zeventig (70) dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 november 2016 te Aruba,

opzettelijk met
[slachtoffer], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
bestaande uit
het aanraken en betasten van haar borsten.
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak
Beoordelingskader
Zedenzaken worden vaak gekenmerkt door het gegeven dat naast de verklaring van het veronderstelde slachtoffer en de ontkennende verklaring van de verdachte weinig of geen steunbewijs voor handen is, omdat bij de ten laste gelegde handelingen alleen de verdachte en het veronderstelde slachtoffer aanwezig zijn geweest. Indien steunbewijs ontbreekt of door de rechter ontoereikend wordt bevonden, blijven de beschuldigende verklaring van het veronderstelde slachtoffer en de ontkennende verklaring van de verdachte als onverenigbaar tegenover elkaar staan. In dat geval laat het systeem van de strafwet geen ruimte voor een bewezenverklaring, omdat op grond van artikel 385 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering de rechter het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan (dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan) niet uitsluitend mag baseren op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
In het dossier moet dus ander bewijsmateriaal zitten dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer op specifieke punten ondersteunt. Hiervoor is niet voldoende dat getuigen “de auditu” ofwel van horen zeggen verklaren over wat zij van het veronderstelde slachtoffer hebben gehoord. De bron van deze verklaringen blijft immers steeds de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer die ondersteuning behoeven. De verdachte kan dan niet worden veroordeeld.
Beoordeling
Het Gerecht moet beoordelen of aan dit bewijsminimum is voldaan.
Naar het oordeel van het Gerecht kan in het dossier geen steunbewijs voor de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer [slachtoffer] worden gevonden. De getuigenverklaringen van de moeder en de vader van [slachtoffer], alsmede het proces-verbaal “bevindingen audio” ten aanzien van de opname met de mobiele telefoon door de moeder van de verklaring van [slachtoffer] bieden geen steun voor de ten laste gelegde ontuchtige handelingen. De bron van informatie van deze getuigenverklaringen en de audio opname is steeds [slachtoffer] zelf geweest. Ook de emoties van [slachtoffer] die haar moeder heeft waargenomen toen [slachtoffer] haar over de gestelde ontuchtige handelingen vertelde, bieden deze steun niet. Zij bieden geen steunbewijs voor de stelling dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Zij houden als steunbewijs voor de ten laste gelegde ontuchtige handelingen onvoldoende verband met die handelingen als zodanig. Er is kortom geen ondersteunend bewijs dat de verdachte zich op 9 november 2016 op de naschoolse opvang “[naschoolse opvang]” alleen met de [slachtoffer] in de recreatiekamer bevond en aldaar haar borsten heeft aangeraakt en betast.
Omdat er geen sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs moet de verdachte worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.M.D. Angela, bijgestaan door mw. M.V. Alvarez, (zittingsgriffier), en op 6 juni 2019 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.
uitspraakgriffier: