ECLI:NL:OGEAA:2019:341

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
4 juni 2019
Publicatiedatum
12 juni 2019
Zaaknummer
AUA201900531
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 429ba Rv ArubaHaags Kinderbeschermingsverdrag 1961Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechter verklaart zich onbevoegd in gezagszaak minderjarige woonachtig in Nederland

De zaak betreft een verzoek van Fundacion Guia Mi om ontslag uit de voogdij over een minderjarige en overdracht van het gezag aan de moeder. De minderjarige en zijn moeder wonen sinds december 2018 in Nederland, nadat zij met toestemming van Fundacion Guia Mi Aruba hebben verlaten.

Het gerecht toetst haar rechtsmacht aan de hand van artikel 429ba van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba en het Haags Kinderbeschermingsverdrag. Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige buiten Aruba ligt, oordeelt het gerecht dat het geen rechtsmacht heeft om over het verzoek te beslissen.

Het belang van het kind is hierbij leidend en het gerecht acht het passend dat de bevoegdheid om over het gezag te beslissen meeverhuist naar de bevoegde Nederlandse rechter. Daarom verklaart het gerecht zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek.

Uitkomst: Het gerecht verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek tot wijziging van voogdij en gezag over de minderjarige.

Uitspraak

Beschikking van 4 juni 2019
behorend bij E.J. AUA201900531
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
op het verzoek van

1.FUNDACION GUIA MI,

gevestigd in Aruba,
2.[naam moeder],de moeder,
wonende in Nederland,
VERZOEKS,
gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Malmberg.
Belanghebbende:
[naam minderjarige],de minderjarige,
wonende in Nederland,

1.DE PROCEDURE

Het verloop de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met producties, ingediend op 20 februari 2019;
  • de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 23 april 2019, waaruit blijkt dat zijn verschenen de verzoeker sub 1 bij mevrouw M. Tromp-van der Biezen bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.DE FEITEN

2.1
Uit de moeder is op [geboortedatum] in Aruba geboren [naam minderjarige] (hierna: de minderjarige). De moeder is op [geboortedatum] in de Dominicaanse Republiek geboren en was minderjarig bij de geboorte van haar zoon. De minderjarige is niet erkend.
2.2
Bij beschikking van dit gerecht van 1 november 2016 (EJ 2487/16) is, gelet op de minderjarigheid van de moeder, aan de Fundacion Guia Mi de voogdij over de minderjarige opgedragen.
2.3
De moeder en de minderjarige zijn op 7 december 2018 uitgeschreven uit het bevolkingsregister van Aruba en met toestemming van Fundacion Guia Mi naar Nederland vertrokken om aldaar te gaan wonen. De minderjarige woont sindsdien met de moeder in Nederland.

3.HET VERZOEK

Het verzoek strekt ertoe om Fundacion Guia Mi te ontslaan uit de voogdij en de moeder te belasten met het gezag over de minderjarige.

4.DE BEOORDELING

Rechtsmacht

4.1
Gelet op de omstandigheid dat de minderjarige inmiddels – en nog voordat het verzoek is ingediend – niet meer in Aruba woont, is allereerst aan de orde de vraag of het gerecht rechtsmacht heeft in deze zaak.
4.2
Art. 429ba Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba (Rv) bepaalt in dat verband dat aan de rechter geen rechtsmacht toekomt, indien het verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer van Aruba heeft. Van de relevante aanknopingspunten in zaken betreffende het gezag over minderjarigen moet het zwaarste - en doorgaans doorslaggevend - gewicht worden toegekend aan de gewone verblijfplaats van de minderjarigen, zijnde het uitgangspunt in het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (en ook in de opvolger daarvan, het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).
4.3
De minderjarige en de moeder wonen inmiddels in Nederland. Ligt de gewone verblijfplaats van het kind, zoals in casu, buiten Aruba, dan komt de Arubaanse rechter geen rechtsmacht toe. Uitzonderingssituaties zijn in zeer bijzondere omstandigheden denkbaar, maar het bestaan van dergelijke omstandigheden is hier niet gebleken.
Bepalend is ook hier het belang van het kind. Het gerecht acht het in dit geval in het belang van de minderjarige dat de bevoegdheid “meeverhuist” naar de bevoegde Nederlandse rechter.
4.4
Het voorgaande betekent dat het gerecht in deze zaak geen rechtsmacht heeft.

5.DE BESLISSING

Het gerecht:
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek.
Aldus gegeven door mr. E.M.D. Angela, rechter in dit gerecht, ter zitting van 4 juni 2019 in aanwezigheid van de griffier.