ECLI:NL:OGEAA:2019:22

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
15 januari 2019
Publicatiedatum
17 januari 2019
Zaaknummer
AUA201802220
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:295 BW ArubaArt. 1:299 BW ArubaArt. 1:253r BW ArubaArt. 1:253q BW Aruba
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot benoeming voogd wegens bestaand ouderlijk gezag

De moeder, woonachtig in Nederland, verzocht de benoeming van een voogd voor haar minderjarige kind dat in Aruba verblijft bij de voorgestelde voogd. De vader van het kind is overleden en de moeder oefent het ouderlijk gezag alleen uit.

De rechter overweegt dat op grond van artikel 1:295 BW Pro Aruba een voogd benoemd wordt indien er geen ouderlijk gezag is. Omdat de moeder het gezag uitoefent, is er geen gezagsvacuüm en dient het verzoek te worden afgewezen.

Hoewel de moeder in Nederland woont en daardoor het gezag bemoeilijkt kan uitoefenen, is niet aannemelijk gemaakt dat zij feitelijk niet in staat is het gezag uit te oefenen. Overleg met de moeder kan telefonisch of via andere middelen plaatsvinden. Het feit dat de voorgestelde voogd de verzorging en opvoeding op zich neemt, verandert niets aan het gezag dat bij de moeder berust.

Daarom wijst het gerecht het verzoek tot benoeming van de voogd af.

Uitkomst: Het verzoek tot benoeming van een voogd wordt afgewezen omdat de moeder het ouderlijk gezag uitoefent en niet aannemelijk is dat zij daartoe niet in staat is.

Uitspraak

Beschikking van 15 januari 2019
Behorend bij EJ nr. AUA201802220
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
op het verzoek van:
[naam moeder],
wonende in Nederland,
VERZOEKSTER, hierna te noemen: de moeder,
gemachtigde: de heer G.A. Martha.
Belanghebbenden:
[naam minderjarige],de minderjarige,
[naam voorgestelde voogd], de voorgestelde voogd.

1.DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift, ingediend op 24 juli 2018,
  • de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 13 november 2018, waaruit blijkt dat zijn verschenen de moeder, de voorgestelde voogd en de minderjarige in persoon. Namens de Voogdijraad was aanwezig de heer M. Loefstop.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.DE FEITEN

2.1
De minderjarige voornoemd is op [geboortedatum] in Aruba geboren, uit de relatie tussen de moeder en de vader [naam vader]. De vader heeft de minderjarige erkend. De vader is op [datum overlijden] in Aruba overleden.
2.2
De moeder oefent het gezag over de minderjarige alleen uit. De moeder woont in Nederland. De minderjarige woont thans met toestemming van de moeder in Aruba bij [naam voorgestelde voogd] (hierna: [voorgestelde voogd]).

3.HET VERZOEK

Het verzoek strekt tot het benoemen van [voorgestelde voogd] als voogd over de minderjarige.

4.DE BEOORDELING

4.1
Artikel 1:295 Burgerlijk Pro Wetboek van Aruba (BW) bepaalt dat de rechter in eerste aanleg een voogd benoemt over alle minderjarigen die niet onder ouderlijk gezag staan en in wier voogdij niet op wettige wijze is voorzien. In casu oefent de moeder alleen het ouderlijk gezag over de minderjarige uit. Er is aldus voorzien in het gezag over de minderjarige, zodat het verzoek ex artikel 1:299 BW Pro tot het benoemen van een voogd dient te worden afgewezen.
4.2
Ingevolge artikel 1:253r BW, in samenhang met het bepaalde in artikel 1:253q BW, kan de rechter indien een ouder, al dan niet tijdelijk, in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen, een voogd benoemen. Als reden voor het verzoek tot benoeming van [voorgestelde voogd] tot voogd is aangevoerd dat de moeder in Nederland woont en daardoor bemoeilijkt wordt het gezag over de minderjarige uit te oefenen. Daarmee is echter niet aannemelijk geworden dat de moeder in de onmogelijkheid verkeert om het gezag uit te oefenen. [voorgestelde voogd] heeft contact met de moeder en in beginsel kan telefonisch en/of via andere communicatiemiddelen overleg met de moeder aangaande te nemen gezagsbeslissingen over de minderjarige gevoerd worden. Dat de moeder in de toekomst niet of moeilijk bereikbaar zal zijn is gesteld noch gebleken. Er is dus geen sprake van een gezagsvacuüm. Dat [voorgestelde voogd] feitelijk de verzorging en opvoeding op zich heeft genomen, legitimeert niet dat wordt afgestapt van het - ook in de wet verankerde - uitgangspunt dat het gezag bij (een van) de ouder(s) berust. Het verzoek zal worden afgewezen.

5.DE BESLISSING

Het gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven op dinsdag 15 januari 2019 door de rechter mr. E.M.D. Angela in tegenwoordigheid van de griffier.