ECLI:NL:OGEAA:2019:217
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid voortduren inbewaringstelling en verzoek tot opheffing
Verzoeker, van Venezolaanse nationaliteit, werd op 21 februari 2019 in bewaring gesteld door de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie. De rechter-commissaris beoordeelde deze vrijheidsontneming op 22 februari 2019 als rechtmatig. Verzoeker vroeg vijf dagen later om opheffing van de bewaring, hetgeen op 27 maart 2019 ter zitting werd behandeld.
De kern van het geschil betrof de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring, waarbij met name werd gekeken naar het zicht op uitzetting naar Venezuela. Verzoeker stelde dat uitzetting onmogelijk was vanwege gesloten grenzen. De minister gaf aan dat er wekelijks vluchten worden georganiseerd en dat er inspanningen worden geleverd om uitzetting te realiseren, ondanks een achterstand.
De rechter-commissaris oordeelde dat er voldoende zicht is op uitzetting en dat de minister zich voldoende inspant. Verzoekers voorstel voor een lichter middel, zoals een meldplicht of elektronisch toezicht, werd afgewezen vanwege het risico op onttrekking aan toezicht, mede gezien zijn verblijf zonder geldige titel sinds 2015.
Ten aanzien van de klacht over de termijn van beoordeling van het verzoek tot opheffing, overwoog de rechter-commissaris dat de beoordeling niet zodanig laat was dat artikel 5, vierde lid, EVRM werd geschonden. Op basis van alle belangen werd geconcludeerd dat het voortduren van de bewaring rechtmatig is en het verzoek tot opheffing werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de inbewaringstelling wordt afgewezen; voortduren van de bewaring is rechtmatig.