Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
[de zoon](hierna: de zoon),
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Verzoekers, een man en een vrouw met hun minderjarige zoon, allen met de Colombiaanse nationaliteit, hebben een vergunning tot tijdelijk verblijf aangevraagd in het kader van gezinshereniging. De aanvragen voor de vrouw en de zoon zijn op 10 oktober 2018 afgewezen door de Minister van Justitie, Veiligheid en Integratie. Hiertegen zijn bezwaarschriften ingediend en verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba.
De verzoeken strekken ertoe de bestreden beschikkingen te schorsen en de vrouw en de zoon te behandelen alsof zij in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning totdat in de bodemprocedure op het bezwaar is beslist. Het gerecht oordeelt dat niet is gebleken dat verzoekers een voldoende spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. Er is geen sprake van een dreiging van uitzetting, verwijdering of inbewaringstelling van de vrouw en de zoon.
Daarnaast is ter zitting bevestigd dat het beleid inzake gezinshereniging voor investeerders per 1 november 2018 is gewijzigd en dat de bezwaarschriften zullen worden heroverwogen op basis van dit nieuwe beleid. Gelet op het ontbreken van een onevenredig nadeel worden de verzoeken afgewezen. De vraag of de afwijzing van de verblijfsvergunningen terecht is, zal in de bodemprocedure worden beantwoord.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen wegens ontbreken van voldoende spoedeisend belang.