Uitspraak
1.DE PROCEDURE
2.DE VASTSTAANDE FEITEN
1. de beslissing van de ministerraad van 25 juli 2017 (BE-55/17) te heroverwegen en betrokkene niet in tijdelijke dienst te benoemen;
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Verzoekster was sinds 1 november 2009 in dienst van het Land Aruba op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, telkens gekoppeld aan de regeerperiode van het kabinet Eman. Na het aantreden van het kabinet Wever-Croes in november 2017 werd haar arbeidsovereenkomst beëindigd met een opzegtermijn tot 31 januari 2018. Verzoekster bleef echter doorwerken tot 15 januari 2018 en betwistte de rechtmatigheid van haar ontslag.
Het gerecht stelde vast dat de arbeidsovereenkomst formeel eindigde met het aantreden van het nieuwe kabinet, maar dat het doorwerken van verzoekster en het doorbetalen van salaris door het Land duidden op een voortzetting van de arbeidsrelatie. Het Land voerde een nietigheid van de overeenkomst aan wegens afscheidsbeleid, maar dit werd niet gemotiveerd en buiten beschouwing gelaten.
De opzegging voldeed niet aan de eisen van redelijkheid en billijkheid, onder meer omdat het Land geen concrete redenen gaf voor het ontslag, geen rekening hield met de leeftijd en positie van verzoekster, en geen vergoeding aanbood. Het gerecht oordeelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was en gelastte het herstel van de dienstbetrekking met ingang van 1 februari 2018, of een vergoeding van circa zes maanden loon als het Land niet tot herstel overgaat.
Uitkomst: Het gerecht beveelt het Land Aruba de dienstbetrekking te herstellen of een vergoeding van circa zes maanden loon te betalen wegens kennelijk onredelijk ontslag.