Uitspraak
[de minderjarige],
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Appellante, als wettelijke vertegenwoordiger van een minderjarige, verzocht om een tijdelijke verblijfsvergunning, welke door de minister werd afgewezen bij beschikking van 23 november 2017. Hiertegen maakte appellante bezwaar op 4 januari 2018. Omdat de minister niet binnen redelijke termijn op het bezwaar besliste, stelde appellante op 2 mei 2018 beroep in bij het gerecht.
Het gerecht oordeelt dat het beroep tijdig is ingesteld en dat de minister geen reële beslissing heeft genomen op het bezwaar. De zogenaamde 'fictieve afwijzing', een ongemotiveerde beschikking als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar), kan daardoor niet in stand blijven.
Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt verplicht binnen drie maanden na de uitspraak alsnog een reële beslissing te nemen op het bezwaar. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan appellante, begroot op Afl. 500,-, en wordt het gestorte griffierecht terugbetaald.
De uitspraak is gedaan door rechter E.M.D. Angela op 17 september 2018 en partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt verplicht binnen drie maanden een reële beslissing te nemen op het bezwaar.