Uitspraak
1.DE PROCEDURE
2.DE VASTSTAANDE FEITEN
3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
4.DE BEOORDELING
3.DE BESLISSING
woensdag 21 februari 2018 om 11.00 uur.
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Op 3 oktober 2016 legde CMB conservatoir derdenbeslag onder Ritz ten laste van een werknemer, [X]. Ritz verklaarde de vorderingen en zaken getroffen door het beslag en gaf aan dat zij aan [X] een netto uurloon verschuldigd was. CMB had eerder een vonnis verkregen tegen [X] tot betaling van een geldsom, vermeerderd met rente en kosten.
CMB verzocht het gerecht om Ritz te veroordelen tot betaling van de ingehouden gelden, stellende dat Ritz deze niet had afgedragen. Ritz was echter niet verschenen, waardoor verstek tegen haar werd verleend. Het gerecht oordeelde dat Ritz wel een verklaring had gedaan, zodat het verzoek op grond van artikel 477a Rv niet toewijsbaar was.
Het gerecht overwoog dat CMB kennelijk een veroordeling tot nakoming van de afdracht wenste op grond van artikel 477 Rv Pro, maar dat onduidelijk was hoe groot het ingehouden bedrag was. Daarom werd een comparitie bevolen om inlichtingen in te winnen, de standpunten te bespreken en te onderzoeken of partijen tot een minnelijke oplossing konden komen.
De comparitie werd vastgesteld op 21 februari 2018, waarbij partijen persoonlijk of vertegenwoordigd door een bevoegd gevolmachtigde moesten verschijnen. Het gerecht wees erop dat stukken tijdig moesten worden overgelegd en dat uitstel slechts bij overmacht kon worden verleend. Iedere verdere beslissing werd aangehouden.
Uitkomst: Het verzoek van CMB tot betaling door Ritz werd afgewezen en een comparitie bevolen voor nadere inlichtingen en mogelijke minnelijke oplossing.