ECLI:NL:OGEAA:2018:401

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
2 juli 2018
Publicatiedatum
4 juli 2018
Zaaknummer
AUA201801431
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens intrekking bestreden beschikking

Verzoekster heeft op 8 november 2017 verzocht om verlenging van haar tijdelijke verblijfs- en werkvergunning in Aruba. Verweerder heeft dit verzoek bij beschikking van 16 maart 2018 afgewezen. Verzoekster maakte hiertegen bezwaar op 3 april 2018 en vroeg op 25 mei 2018 om een voorlopige voorziening.

Tijdens de zitting op 18 juni 2018 verscheen alleen verweerder, terwijl verzoekster niet aanwezig was. Vervolgens heeft verweerder bij beschikking van 5 juni 2018 de bestreden beschikking van 16 maart 2018 ingetrokken, waardoor deze niet meer bestaat.

De rechter concludeert dat het bezwaar van verzoekster in de bodemprocedure niet-ontvankelijk zal zijn wegens het ontbreken van procesbelang. Daarom is er geen aanleiding voor een voorlopige voorziening en wordt het verzoek afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens intrekking bestreden beschikking en ontbreken procesbelang.

Uitspraak

Uitspraak van 2 juli 2018
AUA201801431
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 54 van Pro de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[verzoekster],
verblijvend in Aruba,
VERZOEKSTER,
gemachtigde: mr. E. Duijneveld,
gericht tegen:
de minister van Infrastructuur, Ruimtelijke Ontwikkeling en Integratie,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. G. Maduro (DIMAS).

1.PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft op 8 november 2017 verzocht om verlenging van haar vergunning om tijdelijk in Aruba te verblijven en werkzaam te zijn.
Bij beschikking van 16 maart 2018 heeft verweerder het verzoek van, afgewezen.
Op 3 april 2018 heeft verzoekster daartegen bezwaar gemaakt.
Op 25 mei 2018 heeft verzoekster tevens het gerecht verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het gerecht heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 juni 2018, alwaar is verschenen verweerder vertegenwoordigd bij zijn gemachtigde voornoemd. Verzoekster is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.
Uitspraak is nader bepaald op heden.

2.OVERWEGINGEN

2.1
Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.
Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.
2.2
Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder bij beschikking van 5 juni 2018 de thans bestreden beschikking van 16 maart 2018 heeft ingetrokken. De bestreden beschikking bestaat derhalve niet meer.
2.3
Dit alles leidt de voorzieningsrechter tot de conclusie dat in de bodemprocedure het bezwaar van verzoekster tegen de beschikking van 16 maart 2018 niet-ontvankelijk zal worden verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang,. Voor het treffen van een voorziening bij voorraad bestaat daarom geen aanleiding. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

3.BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.