ECLI:NL:OGEAA:2018:181

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
28 februari 2018
Publicatiedatum
11 april 2018
Zaaknummer
B.B. nr. 1680 van 2017/AUA201701947
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.H.M. van de Leur
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1568 BWArt. 7:1580 BWArt. 6:136 BWArt. 63a Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering en schadevergoeding wegens gebrekkige oplevering gehuurde woning

Eiseres vordert betaling van achterstallige huur en schadevergoeding wegens beschadigingen aan een gehuurde woning in Aruba. Gedaagde heeft de woning verlaten en de sleutels ingeleverd, maar volgens een rapport van de Dienst Huur- en Consumentenzaken is de woning niet in goede staat achtergelaten.

De rechtbank stelt vast dat geen beschrijving van het gehuurde bij aanvang van de huur is opgemaakt, waardoor wordt aangenomen dat de huurder het gehuurde in goede staat heeft ontvangen en in die staat moet achterlaten. Gedaagde heeft geen tegenbewijs geleverd. Het rapport wordt als betrouwbaar beschouwd, zodat de schadeposten van Afl. 2.725,-- komen vast te staan.

Verder is gedaagde gehouden tot betaling van de helft van de huur over mei 2017, omdat zijn stelling dat hij slechts de helft hoefde te betalen niet is bewezen. Het beroep op verrekening wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs en de complexiteit van het geschil. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat er geen extra werkzaamheden buiten de procedure zijn verricht.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van in totaal Afl. 3.625,-- plus wettelijke rente en de proceskosten aan eiseres. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van Afl. 3.625,-- plus wettelijke rente en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

Vonnis van 28 februari 2018
Behorend bij B.B. nr. 1680 van 2017/AUA201701947
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
Eiseres,
wonende in Aruba,
eiseres,
hierna ook te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mw. [Naam X],
tegen:
Gedaagde,
wonende in Aruba,
gedaagde,
hierna ook te noemen: [gedaagde],
gemachtigde (die zich heeft gesteld na het tussenvonnis): de advocaat mr. D.L. Emerencia.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure tot 13 december 2017 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. De bij dat vonnis gelaste comparitie van partijen na antwoord heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. Partijen zijn toen ter zitting verschenen, samen met hun respectieve gemachtigden. Zij hebben het woord gevoerd ([gedaagde] mede aan de hand van toegelaten nadere producties) en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.
1.2
Vonnis is bepaald op heden.

2.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1
[eiseres] vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren betalingsbevel [gedaagde] beveelt om aan [eiseres] te betalen Afl. 3.625,--, te vermeerderen met 15% aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en met wettelijke rente gerekend vanaf 8 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, kosten rechtens.
2.2
[gedaagde] voert verweer strekkende tot afwijzing van het door [eiseres] gevorderde.
2.3
voor zover van belang voor de beslissing zullen de stellingen van partijen hierna worden besproken.

3.DE VERDERE BEOORDELING

3.1
Vast staat tussen partijen dat [gedaagde] krachtens een daartoe tussen partijen gesloten huurovereenkomst de aan [eiseres] toebehorende woning gelegen in Aruba te [adres] heeft gehuurd tegen een maandelijkse bij vooruitbetaling te betalen huur van Afl. 1.800,--. [gedaagde] heeft na ommekomst van die overeenkomst die woning (hierna: het gehuurde) verlaten onder inlevering van de sleutels daarvan op 18 mei 2017. Anders dan [gedaagde] stelt [eiseres] met een rapport van Dienst Huur- en Consumentenzaken (hierna: het rapport) onderbouwd dat [gedaagde] het gehuurde niet in goede staat heeft achtergelaten, waardoor [eiseres] herstelkosten ad Afl. 2.725,-- heeft moeten maken. Hierover het volgende.
3.2
Het eerste lid van artikel 7:1568 BW Pro bepaalt dat de verhuurder de verhuurde zaak in alle opzichten in goede staat van onderhoud ter beschikking stelt van de huurder. Artikel 7:1580 BW Pro bepaalt dat indien bij aanvang van de huur geen beschrijving van het gehuurde is opgemaakt, wordt vooronderstelt dat de huurder ten aanzien van het onderhoud dat ten laste van huurders komt - behoudens tegenbewijs - het gehuurde in goede staat heeft aanvaard en dat hij het gehuurde in die staat moet achterlaten bij beëindiging van de huur. Gesteld noch is gebleken dat een beschrijving is opgemaakt van het gehuurde bij aanvang van de tussen partijen gesloten huur. Vooronderstelt wordt daarom dat [gedaagde] het gehuurde in goede staat heeft ontvangen. Het is in beginsel aan [gedaagde] om die vooronderstelling te ontkrachten door middel van het leveren van tegenbewijs. [gedaagde] heeft echter geen (tegen)bewijslevering aangeboden of verzocht. Tegenbewijslevering is daarom niet aan de orde, waardoor vast komt te staan dat [gedaagde] het gehuurde in goede staat heeft ontvangen.
3.3
Tegen voormelde achtergrond heeft [gedaagde] de deskundigheid noch de betrouwbaarheid van de opstellers van het rapport niet of onvoldoende bestreden. Vast komt daarom te staan dat [gedaagde] het gehuurde op 18 mei 2017 zodanig heeft achtergelaten dat [eiseres] zich geconfronteerd zag met de in het rapport vermelde schadeposten in totaal ad Afl. 2.725,--. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad gepubliceerd onder NJ 1999, 380 raakte [gedaagde] dienaangaande direct zonder ingebrekestelling in verzuim, zodat hij schadeplichtig is jegens [eiseres]. [gedaagde] zal in het licht van dit alles ten titel van schadevergoeding uit onrechtmatigde daad worden veroordeeld om Afl. 2.725,-- te betalen aan [eiseres], te vermeerderen met wettelijke rente zoals onbestreden gevorderd.
3.4
Wat betreft de vordering van [eiseres] ter zake van achterstallige huur over de halve maand mei 2017 wordt het volgende overwogen. Vast staat dat [gedaagde] in beginsel Afl. 1.800,-- bij vooruitbetaling verschuldigd was aan [eiseres] aan huur voor de maand mei 2017. [gedaagde] stelt echter dat hij met [eiseres] is overeengekomen dat hij de helft van de huur voor die maand niet hoefde te betalen als hij het gehuurde zou hebben verlaten voor 22 mei 2017. Die stelling heeft [eiseres] gemotiveerd bestreden, terwijl [gedaagde] geen levering van bewijs heeft aangeboden of verzocht. Bedoelde bevrijdende stelling van [gedaagde] komt daarom niet vast te staan, hetgeen met zich brengt dat [gedaagde] nog Afl. 900,-- verschuldigd is aan [eiseres] uit hoofde van achterstallige huur. [gedaagde] zal daarom ten titel van nakoming worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan [eiseres], eveneens te vermeerderen met wettelijke rente zoals onbestreden gevorderd.
3.5
Wat betreft het - zo het Gerecht begrijpt subsidiair opgeworpen - beroep op verrekening van [gedaagde] wordt het volgende overwogen. [eiseres] heeft de aan dat beroep door [gedaagde] ten gronde gelegde stellingen gemotiveerd bestreden. Die stellingen staan daarom niet vast en komen in dit geschil ook niet vast te staan omdat [gedaagde] - andermaal gezegd - geen levering van bewijs heeft aangeboden of verzocht. Daar komt bij dat de gegrondheid van het verrekeningsberoep niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, zodat het op de voet van artikel 6:136 BW Pro niet aan toewijzing van de vorderingen van [eiseres] in de weg kan staan.
3.6
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal op de voet van het bepaalde in artikel 63a Rv worden afgewezen nu is gesteld noch gebleken dat [eiseres] in dit dossier buiten rechte meer werkzaamheden heeft verricht of laten verrichten dan die ter voorbereiding en instructie van de onderhavige zaak. De enkele door [eiseres] overgelegde ingebrekestelling valt zonder meer binnen het bereik van voormeld artikel. Het gegeven dat die ingebrekestelling in opdracht van [eiseres] bij exploot is betekend aan [gedaagde] maakt dat niet anders. [eiseres] had die ingebrekestelling immers ook op veel goedkopere wijze bij aangetekend schrijven aan [gedaagde] kunnen doen toekomen.
3.7
[gedaagde] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden verwezen in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eiseres], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,-- aan griffierecht. Er wordt geen gemachtigdensalaris geliquideerd, nu [eiseres] in deze procedure niet werd bijgestaan door een daartoe door het Hof toegelaten professionele rechtsbijstandverlener. Het gemachtigdensalaris zal worden daarom worden bepaald op nihil.

4.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
-beveelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen Afl. 3.625,--, te vermeerderen wettelijke rente gerekend vanaf 8 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
-veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eiseres], tot aan deze uitspraak begroot op begroot op Afl. 50,-- aan verschotten en op nihil aan gemachtigdensalaris;
-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
-wijst af het meer of anders verzochte.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 28 februari 2018 in aanwezigheid van de griffier.