ECLI:NL:OGEAA:2017:792

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
9 oktober 2017
Publicatiedatum
10 oktober 2017
Zaaknummer
AUA201700274
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 LarArt. 53a LarArt. 53b Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep na verlening vergunning tijdelijk verblijf

Appellante had een vergunning tot tijdelijk verblijf aangevraagd die door de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure werd het bezwaar ongegrond verklaard. Appellante stelde daarop beroep in bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba.

Tijdens de procedure gaf appellante aan dat de vergunning inmiddels was verleend, waardoor het belang van het beroep was komen te vervallen. Het gerecht verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en oordeelde dat de handhaving van het bezwaarbesluit moest worden ingetrokken of gewijzigd.

Daarnaast werd gelast dat het betaalde griffierecht aan appellante werd teruggegeven. Omdat het beroep niet tot vernietiging van de beschikking leidde, was er geen grondslag voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter M.E.B. de Haseth op 9 oktober 2017.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het betaalde griffierecht wordt teruggegeven.

Uitspraak

Uitspraak van 9 oktober 2017
AUA201700274
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[appellante],
wonend in Aruba,
APPELLANTE,
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,
gericht tegen:
de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. M.D. van Wilgen (DIMAS).

1.HET PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 22 april 2016 heeft verweerder een verzoek van appellante om haar een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.
Bij beschikking van 8 maart 2017 heeft verweerder het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Op 30 maart 2017 heeft appellante daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2017, waar partijen, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigden, zijn verschenen.
Uitspraak is bepaald op heden.

2.OVERWEGINGEN

2.1
Bij brief van 4 september 2017 heeft appellante te kennen gegeven dat aan haar de vergunning, zoals verzocht, is verleend. Onder deze omstandigheden is het belang aan het beroep komen te ontvallen.
2.2
Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.3
Met de verlening van de vergunning dient de handhaving in bezwaar bij voormelde beschikking van 8 maart 2017 van de eerdere afwijzing daarvan door verweerder ten voordele van appellante ingetrokken dan wel gewijzigd te worden geacht. Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding te gelasten dat het betaalde griffierecht wordt teruggegeven (artikel 30, tweede lid, van de Lar).
2.4
Nu het beroep niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leidt, bestaat voor een veroordeling in de kosten, zoals door appellante verzocht, geen wettelijke grondslag (vergelijk de uitspraken van het GHvJ van 25 januari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0582 en van 23 mei 2014, HLAR 64027/13).

3.BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- gelast teruggave aan appellante van het door haar betaalde bedrag van Afl. 25,- .
Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 9 oktober 2017 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).
Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).