ECLI:NL:OGEAA:2017:725

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
5 september 2017
Publicatiedatum
20 september 2017
Zaaknummer
E.J. 246 van 2017 (AUA201700640)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herroeping beëindiging arbeidsovereenkomst en loonbetaling

Verzoeker trad op 13 augustus 2014 in dienst bij The Mill Resort Aruba als bellman. Na enkele waarschuwingen vond op 18 april 2016 een gesprek plaats over beëindiging van de arbeidsovereenkomst, waarbij verzoeker een beëindigingsovereenkomst tekende en een cheque ontving als loonbetaling. Na deze datum verscheen verzoeker niet meer op het werk.

Verzoeker stelde later dat hij niet de intentie had de arbeidsovereenkomst te beëindigen en vorderde een verklaring dat de overeenkomst nog bestond, loonbetaling en wedertewerkstelling. The Mill voerde gemotiveerd verweer en stelde dat verzoeker instemde met beëindiging.

Het Gerecht oordeelde dat uit het tekenen van de overeenkomst, het innen van de cheque en het niet meer verschijnen op het werk blijkt dat verzoeker instemde met beëindiging. Spijt achteraf is onvoldoende om de overeenkomst aan te tasten. Verzoeker bracht geen concrete omstandigheden aan die het vertrouwen van The Mill op de beëindigingsovereenkomst konden schaden. De vordering werd afgewezen en verzoeker werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Verzoek tot verklaring dat arbeidsovereenkomst nog bestaat en loonbetaling wordt afgewezen.

Uitspraak

Beschikking van 5 september 2017
Behorend bij E.J. 246 van 2017 (AUA201700640)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
[verzoeker],
te Aruba,
hierna ook te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: advocaat mr. S.O.R.’G Faarup,
tegen:
de coöperatieve vereniging
THE MILL RESORT ARUBA,
te Aruba,
hierna ook te noemen: The Mill,
gemachtigden: advocaten mrs. A.A. Ruiz en I.R. Wever.

1.DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- de overgelegde producties van beide partijen;
- de overgelegde aantekeningen ter zitting van The Mill;
- de aantekeningen van de griffier van de behandeling ter zitting van 13 juni 2017, bij gelegenheid waarvan Maduro zijn eis vermeerderd heeft.
Aan partijen is meegedeeld dat vandaag beschikking zou worden gegeven.

2.HET GESCHIL EN DE BEOORDELING

2.1 [
verzoeker] is op 13 augustus 2014 in dienst getreden bij The Mill, waar hij laatstelijk werkzaam was als bellman. Gedurende zijn dienstverband heeft hij een paar keer een waarschuwing gekregen.
2.2
Wegens het missen van een afspraak bij Medwork heeft op 18 april 2016 een gesprek plaatsgevonden tussen mevrouw [X] (HR director) en mevrouw [Y] (Financial director). In dat gesprek is volgens The Mill overeenstemming bereikt over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen The Mill en [verzoeker]. In het gesprek op de 18e april 2016 heeft hij een beëindigingsovereenkomst getekend. Die overeenkomst en de cheque waarbij zijn loon is uitbetaald zijn gedateerd op de 20e april 2016. [Verzoeker] heeft die cheque ook geïnd.
2.3
Na de 18e april 2016 heeft [verzoeker] niet meer gewerkt bij The Mill. De vakbond FTA heeft op 5 mei 2017 een protestbrief namens [verzoeker] geschreven en gesteld dat hij beschikbaar is voor het verrichten van werk.
2.4
In onderhavig geschil vordert [verzoeker], na wijziging eis, een verklaring voor recht dat [verzoeker] is teruggekomen op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dat die ook nog steeds bestaat, en voorts vordert hij doorbetaling van loon, alsmede wedertewerkstelling, een en ander vermeerderd met kosten en rente.
2.5
In zijn verzoek stelt [verzoeker] dat het niet zijn bedoeling was om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.
2.6
The Mill heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
2.7
De vordering van [verzoeker] wordt afgewezen. In zijn verzoek - dat op dit punt niet helemaal helder is - doet hij kennelijk een beroep op het ontbreken van wilsovereenstemming. In de stellingen van [verzoeker] leest het Gerecht dat hij vindt dat The Mill niet op de door partijen getekende overeenkomst mocht vertrouwen. Echter, [verzoeker] heeft geen concrete omstandigheden aangevoerd waaruit The Mill had moeten afleiden dat [verzoeker] niet instemde met beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Hij heeft niet gesteld dat hij in het gesprek op de 18e april 2016 zijn wil niet kon bepalen, evenmin heeft hij gesteld dat hij ondanks het tekenen van de overeenkomst ervan uitging dat zijn arbeidsovereenkomst niet geëindigd was. In tegendeel: na de 18e april 2016 is [verzoeker] niet meer op het werk verschenen. Zo al sprake was van een opwelling aan zijn zijde, heeft hij geruime tijd voorbij laten gaan, voordat hij protesteerde. Ook in de brief van FTA zijn geen omstandigheden opgenomen die het vertrouwen van The Mill op de overeenkomst kunnen aantasten. Na die brief is het verder stil gebleven.
2.8
Hoewel de data van het gesprek en de datum waarop de documenten zijn gedateerd afwijkend zijn, levert dat geen argument op om anders over de beëindigingsovereenkomst c.q. de wilsverklaring van [verzoeker] te denken. Vaststaat immers dat niet gebleken is dat [verzoeker] niet wist wat hij deed en uit zijn gedragingen (tekenen van de overeenkomst, innen van de cheque en het niet meer op het werk verschijnen) kan worden afgeleid dat hij het (toen) eens was met beëindiging. Dat hij daarvan later spijt krijgt is niet voldoende voor aantasting van de overeenkomst.
2.9
Nu de vordering wordt afgewezen, zal [verzoeker] in de kosten van het geding worden veroordeeld.

3.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
wijst de verzoeken af;
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van The Mill worden begroot op Afl. 2.500,- aan salaris van de gemachtigde.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Sap, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 5 september 2017 in aanwezigheid van de griffier.