ECLI:NL:OGEAA:2017:550

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
5 juni 2017
Publicatiedatum
11 juli 2017
Zaaknummer
VOG nr. 747 van 2017
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 5 Lv VOGArtikel 7 Lv VOGArtikel 14 Lv VOGArtikel 15 Lv VOGArtikel 22 Lv VOG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verklaring omtrent gedrag voor functie brandweerman vanwege ernstige drugsvordering

Klager verzocht om een verklaring omtrent gedrag (VOG) voor een functie als brandweerman, maar dit verzoek werd door verweerder afgewezen vanwege een eerdere veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf voor drugshandel.

Het gerecht overwoog dat de aard en ernst van het strafbaar feit, het handelen met 110 kilo cocaïne, zodanige bezwaren tegen de persoon van klager opleveren dat afgifte van de VOG niet passend is. Daarbij is meegewogen dat de functie van brandweerman een hulpverlenende functie is waarbij integriteit en betrouwbaarheid essentieel zijn.

Klager voerde aan dat het misdrijf niets met de functie te maken heeft en dat hij zijn straf heeft uitgezeten en zijn leven heeft gebeterd, maar dit verweer werd verworpen.

Het gerecht verklaarde de klacht ongegrond en bevestigde de weigering tot afgifte van de VOG. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De klacht tegen de weigering van de verklaring omtrent gedrag is ongegrond verklaard en de VOG is niet afgegeven.

Uitspraak

Beschikking van 5 juni 2017
VOG nr. 747 van 2017
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
op het klaagschrift als bedoeld in artikel 25 van Pro de Landsverordening justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (hierna: de Lv VOG) van:
[klager],
wonend in Aruba,
KLAGER,
procederend in persoon,
gericht tegen de beschikking van 23 maart 2017 van:
de aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 14 van Pro de Lv VOG,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER.

1.PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 23 maart 2017, aan klager uitgereikt op dezelfde dag, , heeft verweerder het verzoek van klager om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag afgewezen.
Bij brief van 6 april 2017 heeft klager daartegen een klaagschrift ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld in raadkamer op 8 mei 2017, waar klager en verweerder zijn verschenen.
Uitspraak is bepaald op heden.

2.OVERWEGINGEN

2.1
Ingevolge artikel vijf, eerste lid, van de Lv VOG wordt een strafblad uit het strafregister verwijderd na verloop van een termijn van vier jaren.
Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, beloopt de termijn acht jaren, indien bij de veroordeling is opgelegd gevangenisstraf.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt de in artikel 5 bedoelde Pro termijn verlengd met de bij de uitspraak bepaalde duur van de opgelegde vrijheidsstraf met uitzondering van de straf of het gedeelte daarvan ten aanzien waarvan de rechter heeft bepaald dat het niet zal worden tenuitvoergelegd en een last tot herroeping niet is gegeven.
Ingevolge artikel 15, tweede lid, houdt een verklaring omtrent het gedrag niet anders in dan dat de aangewezen ambtenaar uit het onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokkene ingesteld, gelet op het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon.
Ingevolge artikel 22, eerste lid, geeft de aangewezen ambtenaar een verklaring omtrent het gedrag slechts af wanneer hem uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokkene niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon. In alle andere gevallen weigert hij de gevraagde verklaring af te geven.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, mag de aangewezen ambtenaar, voor zover thans van belang, bij zijn onderzoek uitsluitend acht slaan op:
a. de uittreksels uit de strafregisters die hem ten aanzien van de betrokkene verstrekt worden;
b. gegevens ontleend aan de registers van de politie;
c. andere schriftelijke bescheiden welke hem in verband met de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag ter beschikking zijn gesteld.
2.2
Klager heeft verzocht om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag ten behoeve van een functie als brandweerman.
2.3
Bij de afwijzing heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, hem is gebleken van bezwaren tegen klager. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klager bij onherroepelijk geworden vonnis van het gerecht van 14 oktober 2013, voor zover thans van belang, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren voor het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A, van de Landsverordening Verdovende Middelen. De aard en ernst van dit strafbaar feit vormen volgens verweerder, gelet op het doel, waarvoor afgifte van een verklaring omtrent het gedrag is verzocht, zodanige bezwaren dat deze moest worden geweigerd.
2.4
Klager betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hem is gebleken van bezwaren tegen zijn persoon, gelet op het doel, waarvoor de afgifte is verzocht, te weten een functie als brandweerman. Daartoe voert hij aan dat het misdrijf waarvoor hij is veroordeeld niets te maken heeft met de functie als brandweerman, een functie waarvoor hij bovendien de fysieke proeven en de sollicitatieronde bij de brandweer reeds heeft doorlopen. Verder heeft hij zijn straf uitgezeten en zijn leven gebeterd, aldus klager.
2.5
Het gerecht is van oordeel dat, in aanmerking genomen de veroordeling van klager, alsmede de aard en ernst van het strafbaar feit, te weten het uitvoeren van in totaal 110 kilo cocaïne, verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat hem is gebleken van bezwaren tegen de persoon van klager, gelet op het doel, waarvoor afgifte is verzocht. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de functie van brandweerman een hulpverlenende is, waarbij zowel burgers als collega’s volledig op de integriteit en betrouwbaarheid van betrokkene moeten kunnen vertrouwen.
Onder deze omstandigheden was verweerder ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Lv VOG gehouden te weigeren de gevraagde verklaring af te geven. Het betoog faalt.
2.6
Gelet op het vorenoverwogene zal de klacht ongegrond worden verklaard.

3.BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing werd gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, op 5 juni 2017.
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open (artikel 28, derde lid, van de Lv VOG).