ECLI:NL:OGEAA:2017:391

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
24 mei 2017
Publicatiedatum
29 mei 2017
Zaaknummer
A.R. no. 518 van 2013
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over verdeling huwelijksgoederengemeenschap en woningtoewijzing

In deze civiele procedure tussen een vrouw en een man, beiden woonachtig in Aruba, staat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap centraal. Het gerecht heeft een tussenvonnis gewezen waarin het eerdere tussenvonnis van 26 oktober 2016 wordt bevestigd. De vrouw heeft een akte ingediend en een taxatierapport is overlegd waarin de marktwaarde van de woning is vastgesteld op Afl. 121.595,00. Beide partijen wensen de woning toegewezen te krijgen.

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de huurder de huur heeft opgezegd per eind november 2016 en dat zij vanaf december 2016 zelf de woning weer bewoont. Het gerecht verlangt nadere onderbouwing van de door de vrouw betaalde hypotheeklasten en verzekeringskosten om deze te kunnen verrekenen met de ontvangen huurinkomsten. Vanaf december 2016 worden de lasten verrekend met de gebruiksvergoeding die de man heeft opgeëist, zodat partijen over die periode niets aan elkaar verschuldigd zijn.

Verder is de vrouw laat met het aanvoeren van belastingschulden die in de verdeling betrokken zouden moeten worden. Het gerecht wijst dit af wegens tardiviteit en onvoldoende onderbouwing. Partijen krijgen de gelegenheid om per 21 juni 2017 schriftelijk aan te geven of zij bereid zijn de helft van de marktwaarde van de woning aan de andere partij te vergoeden, met bewijs van financiële draagkracht. Het gerecht houdt verdere beslissingen aan.

Uitkomst: Het gerecht wijst de late belastingschulden af en stelt partijen in de gelegenheid om schriftelijk te verklaren over vergoeding woningwaarde, verdere beslissing aangehouden.

Uitspraak

Vonnis van 24 mei 2017
Behorend bij A.R. no. 518 van 2013
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS in de zaak van:
[Vrouw],
wonende in Aruba,
eiseres in conventie,
tevens gedaagde in reconventie,
nader te noemen: “de vrouw”,
gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Malmberg,
tegen:
[Man],
wonende in Aruba,
gedaagde in conventie,
tevens eiser in reconventie,
nader te noemen “de man”,
gemachtigden: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn.

1.DE VERDERE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure tot en met 26 oktober 2016 blijkt uit het tussenvonnis van die datum. De vrouw heeft ter rolle van 11 januari 2017 een akte ingediend. De door het gerecht benoemde taxateur heeft op 8 februari 2017 een taxatierapport ingediend. Partijen hebben zich daarna bij akte uitgelaten over het taxatierapport. De vrouw heeft vervolgens nog een contra-akte ingediend. De man heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
1.2
Vonnis is bepaald op heden.

2.DE VERDERE BEOORDELING

2.1
Het gerecht heeft naar aanleiding van de genomen aktes geen redenen om terug te komen op haar eerdere overwegingen in de tussenvonnissen die aan dit tussenvonnis zijn voorafgegaan. Het gerecht overweegt verder als volgt.
2.2
De vrouw heeft bij akte van 11 januari 2017 onweersproken gesteld dat de huurder de huur heeft opgezegd per eind november 2016 en dat de vrouw vanaf december 2016 zelf weer in de woning woont. De vrouw dient nog een overzicht van de door haar maandelijks betaalde hypotheekaflossingen (inclusief rente) vanaf 18 september 2015 tot aan 1 december 2016, alsmede een overzicht van de door haar maandelijks betaalde verzekeringskosten met betrekking tot de woning vanaf het jaar 2015 tot aan 1 december 2015, opdat het gerecht kan vaststellen welke bedragen afgezet dienen te worden tegen de ontvangen huurinkomsten, waarbij ook de investeringskosten (zoals vermeld in r.o. 4.12 van het tussenvonnis van 10 februari 2016) meegenomen zullen worden. De vrouw dient deze overzichten voldoende te onderbouwen met bescheiden. Vanaf het moment dat de vrouw de woning weer is gaan bewonen, zullen de door de vrouw betaalde lasten, net zoals in de eerdere periode waarin de vrouw de woning, voordat deze werd verhuurd, bewoonde, verrekend worden met de gebruiksvergoeding waarop de man aanspraak heeft gemaakt, zodat partijen ter zake de periode vanaf december 2016 over en weer niets aan elkaar verschuldigd zijn.
2.3
De taxateur heeft de marktwaarde van de woning getaxeerd op Afl. 121.595,00. Partijen hebben zich niet verzet tegen deze waarde. Het gerecht zal dan ook van deze waarde uitgaan. Beide partijen wensen de woning toebedeeld te krijgen. Het gerecht zal partijen in de gelegenheid stellen om bij akte aan te geven of zij bereid zijn om de helft van de marktwaarde aan de andere partij te vergoeden en zo ja, middels bescheiden genoegzaam aan te tonen dat zij daartoe ook financieel in staat zijn. Uiteraard zal bij eindvonnis ook rekening gehouden worden met een eventuele door een partij te betalen overbedelingsvergoeding zoals in r.o. 2.2. is overwogen.
2.4
De vrouw heeft voor het eerst bij akte d.d. 14 maart 2017 gesteld dat in de verdeling ook nog belastingschulden betrokken dienen te worden en dat de man ter zake een vergoeding aan de vrouw verschuldigd is. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat die stukken al geruime tijd bij de vrouw bekend waren. De stellingen van de vrouw op dit punt zijn tardief, terwijl de vrouw ook niet voldoende duidelijk heeft gemaakt welke bedragen in de verdeling betrokken zouden moeten worden. De eisen van een goede procesorde verzetten zich er tegen dat dit punt thans nog nader uitgezocht en besproken wordt. Het gerecht zal de door de vrouw bedoelde belastingschulden om die reden niet in de verdeling betrekken.
2.5
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.DE BESLISSING

Het gerecht:
3.1
verwijst de zaak naar de rol van 21 juni 2017,
direct peremptoir, voor akte zijdens beide partijen gelijktijdig, zoals in r.o. 2.2 en 2.3 bedoeld, waarna partijen nog gelijktijdig een antwoordakte, eveneens direct peremptoir, zullen mogen nemen;
3.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 24 mei 2017 in aanwezigheid van de griffier.