ECLI:NL:OGEAA:2016:86
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen forfaitaire winstbepaling voor buitenlandse verzekeringsmaatschappij met vaste inrichting op Aruba
Belanghebbende, een verzekeringsmaatschappij gevestigd in Sint Maarten met een vaste inrichting op Aruba, werd door de Inspecteur verplicht de winst te bepalen volgens een forfaitaire methode op grond van artikel 8, lid 2 van de Landsverordening winstbelasting (LWB). Belanghebbende voerde aan dat deze verplichting discriminerend is en in strijd met diverse nationale en internationale bepalingen, waaronder artikel 1 van Pro de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK), het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het General Agreement on Trade in Services (GATS).
Het Gerecht oordeelde dat de forfaitaire methode niet discrimineert op grond van nationaliteit, omdat alle verzekeringsmaatschappijen met een vaste inrichting op Aruba op dezelfde wijze worden belast. Ook is niet gebleken dat de forfaitaire methode leidt tot een willekeurig zwaardere belastingheffing. De EU-vrijheden van vestiging en kapitaalverkeer zijn niet rechtstreeks van toepassing op de LGO’s, waaronder Aruba en Sint Maarten vallen. Het beroep op het EVRM faalt omdat de vaste inrichting niet gelijk is aan een binnenlandse vennootschap en er geen sprake is van een disproportionele of excessieve belastingdruk.
Verder werd geoordeeld dat het beroep op het GATS niet slaagt omdat de situatie van belanghebbende niet gelijk is aan die van een binnenlandse belastingplichtige. Belanghebbende had bovendien bewust gekozen voor de fiscale transparante status van haar dochtervennootschap op Aruba, waarbij de fiscale gevolgen bekend waren. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de forfaitaire winstbepaling wordt ongegrond verklaard.