ECLI:NL:OGEAA:2015:88

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
15 juni 2015
Publicatiedatum
16 juni 2015
Zaaknummer
LAR nr. 2044 van 2014
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Landsbesluit bijstandsverleningArt. 1 Landsbesluit bijstandsverleningLandsverordening administratieve rechtspraak (LAR)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening onderzoek wegens ontbreken mandaat en overschrijding redelijke termijn bij weigering gehandicaptenuitkering

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van een gehandicaptenuitkering door de minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid. De bezwaarprocedure leidde tot een eerdere vernietiging van de beslissing en opdracht tot hernieuwde beslissing door verweerder. Bij de bestreden beslissing van 21 juli 2014 werd het bezwaar ongegrond verklaard, waarna appellant beroep instelde bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba.

Het gerecht overweegt dat alleen de minister bevoegd is om op het bezwaar te beslissen, maar het mandaat aan de directeur Sociale Zaken om namens de minister te beslissen is niet schriftelijk overgelegd. Daarom wordt het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen het mandaat te overleggen.

Daarnaast heeft appellant zich beroepen op overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase en verzocht om een immateriële schadevergoeding. Omdat verweerder hier onvoldoende gelegenheid toe heeft gehad, wordt verweerder uitgenodigd zich hierover uit te laten. De beslissing wordt aangehouden tot de rolzitting op 17 augustus 2015.

Uitkomst: Het onderzoek wordt heropend en de beslissing aangehouden tot de rolzitting op 17 augustus 2015.

Uitspraak

Uitspraak van 15 juni 2015
LAR nr. 2044 van 2014
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
A
wonende in Aruba,
APPELLANT
gemachtigde: M.L. Hassel,
gericht tegen:
De minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigden: J.O. Senchi (DWJZ).

1.PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 29 juni 2012 heeft de Directeur van de Directie Sociale Zaken appellant bericht, dat zijn bijstand is vastgesteld op Afl. 455,- per maand ingaande juli 2012. Tegen deze beschikking heeft appellant bezwaar gemaakt. Zijn bezwaar is bij beslissing van 6 juni 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van dit gerecht van 20 november 2013, is bedoelde beslissing op bezwaar vernietigd en is verweerder opgedragen om binnen drie maanden opnieuw te beslissen.
Verweerder heeft bij beslissing van 21 juli 2014 het bezwaar van appellant, tegen de weigering om hem een gehandicaptenuitkering toe te kennen, ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing (hierna: de bestreden beslissing) heeft appellant op 1 september 2014 beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 8 december 2014 een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van 19 januari 2015, alwaar partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden voornoemd. Ter zitting was tevens aanwezig de heer H. Fingal, werkzaam bij de Directie Sociale Zaken.
Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2.OVERWEGINGEN

2.1
Appellant heeft als meest verstrekkende grond aangevoerd, dat de bestreden beslissing niet is genomen door of namens verweerder, omdat een daartoe strekkend mandaat ontbreekt, doch door een naamloos gebleven ambtenaar namens de directeur van de Directie Sociale Zaken, zodat niet kan worden vastgesteld of deze ambtenaar niet eerder in bepalende mate betrokken is geweest bij de vaststelling van de hoogte van de normatieve bijstandsuitkering.
2.2
Het gerecht overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Landsbesluit bijstandsverlening – voor zover hier van belang - verleent de minister, indien ten genoegen van deze door een of meer doktersverklaringen en een advies van de directeur van de Directie Arbeid is aangetoond dat een inwonend werkloos kind van zestien jaar of ouder als gevolg van een lichamelijk of geestelijk gebrek in overwegende mate langdurig arbeidsongeschikt zal zijn, zelfstandige maatschappelijke hulp aan deze in de vorm van een gehandicaptenuitkering.
Ingevolge artikel 1 van Pro het Landsbesluit bijstandsverlening wordt verstaan onder de Minister, de minister belast met sociale aangelegenheden.
Hoewel het Landsbesluit bijstandsverlening daarvoor geen wettelijke basis biedt, pleegt de minister, met overeenkomstige toepassing van artikel 8, eerste lid ook aan inwonende personen, ouder dan 18 jaar, een gehandicaptenuitkering toe te kennen.
2.3
Uit de hierboven aangehaalde bepalingen volgt dat alleen de minister bevoegd is om op het bezwaar van appellant tegen de weigering van zijn verzoek om een gehandicaptenuitkering, te beslissen. Dat verweerder de directeur van de Directie Sociale Zaken heeft gemandateerd om dergelijke beslissingen te geven, zoals in het verweerschrift (punt 16) is gesteld, is vooralsnog niet gebleken nu verweerder de daarvoor vereiste schriftelijke vastlegging (het mandaat) niet heeft overgelegd.
2.4
Het gerecht ziet hierin aanleiding het onderzoek te heropenen om verweerder in de gelegenheid te stellen bedoeld mandaat over te leggen.
2.5
Appellant heeft zich ter zitting van 19 januari 2015 (in zijn pleitnota) voorts beroepen op overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase met ruim vijf maanden, stellende dat conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep de afdoening van bestuurlijke geschillen, die bestaan uit een bezwaarprocedure en een rechtelijke procedure, niet langer dan twee jaar mag duren. Zodoende diende het geschil uiterlijk op 10 augustus 2014 beslecht te zijn, aldus appellant. Appellant heeft vervolgens verzocht om een immateriële schadevergoeding ad Afl. 1.250,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.6
Nu appellant deze beroepsgrond voor het eerst ter zitting heeft aangevoerd, heeft verweerder onvoldoende gelegenheid gehad zich hiertegen te verweren. Alvorens op dit punt uitspraak te doen, zal het gerecht verweerder dan ook in de gelegenheid stellen zich uit te laten over deze beroepsgrond. Verweerder zal daarbij inzicht dienen te geven in het besluitvormingsproces gedurende de periode vanaf de uitspraak van het gerecht van 20 november 2013 tot aan de bestreden beslissing.
2.7
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
heropent het onderzoek en stelt verweerder in de gelegenheid om ter (rol)zitting van
maandag 17 augustus 2015 om 8.30 uur:
- in te dienen het mandaat van verweerder aan de directeur Directie Sociale Zaken en
- zich uit te laten ter zake van hetgeen hierboven in r.o. 2.6 is overwogen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.