Klager, werkzaam als projectmedewerker bij de Dienst Openbare Werken, kreeg een schriftelijke berisping opgelegd wegens plichtsverzuim na een incident waarbij hij een collega uitschold, bedreigde en uitdaagde tot een vechtpartij. Het incident vond plaats op 22 juli 2022, waarna klager de toegang tot zijn werkplek werd ontzegd en later een disciplinaire straf werd opgelegd.
Klager betwist het gedrag niet, maar stelt dat het incident in de context van herhaald pesten door de collega moet worden gezien en dat hij alle aangeboden hulp- en coachingssessies heeft gevolgd. Hij voert aan dat de straf daarom onterecht is en dat verweerder heeft gehandeld in strijd met diverse rechtsbeginselen.
Het gerecht oordeelt dat het plichtsverzuim aan klager kan worden toegerekend en dat het gedrag in strijd is met de ambtenarenverplichtingen. Echter, het gerecht vindt de opgelegde straf disproportioneel vanwege het lange tijdsverloop van ruim 19 maanden tussen het incident en de strafoplegging, zonder gegronde reden. Daarom wordt het bezwaar gegrond verklaard en het bestreden landsbesluit vernietigd.