ECLI:NL:OGAACMB:2025:77

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
14 juli 2025
Publicatiedatum
23 juli 2025
Zaaknummer
AUA202400809
Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Landsverordening ambtenarenrechtspraakArt. 52 Landsverordening materieel ambtenarenrechtArt. 53 Landsverordening materieel ambtenarenrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen terugplaatsing ambtenaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding

Klager, werkzaam als medewerker brandweerzorg bij de Centrale Dienst Brandweer, werd tijdelijk geplaatst bij de afdeling Preventie van 1 februari 2022 tot 1 mei 2023, waarna hij teruggeplaatst werd naar de Afdeling Alarmcentrale. Klager maakte intern bezwaar tegen deze terugplaatsing, die hij als gedwongen overplaatsing beschouwde.

Het gerecht stelde vast dat de feitelijke terugplaatsing per 1 mei 2023 een besluit van de (wnd.) commandant van de Dienst Brandweer betrof, die bevoegd is tot dergelijke personele maatregelen. Klager had tegen deze terugplaatsing binnen 30 dagen bezwaar moeten maken bij het gerecht, maar deed dit pas op 12 maart 2024, ruim na de termijn. Het gerecht oordeelde dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.

Daarnaast was het bezwaar ook gericht tegen een brief van de gouverneur van 9 februari 2024, waarin slechts melding werd gemaakt van de terugplaatsing. Deze brief bevatte geen zelfstandige besluitvorming waartegen bezwaar mogelijk is.

Daarom verklaarde het gerecht het bezwaar niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Klager werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken binnen de wettelijke termijn.

Uitkomst: Het bezwaar van klager tegen zijn terugplaatsing is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

Uitspraak van 14 juli 2025
Gaza nr. AUA202400809

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK
op het bezwaar in de zin van
de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Klager],

wonend in Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: mr. E. Duijneveld,
tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).

INLEIDING

1.1
Klager heeft op 12 maart 2024 bezwaar gemaakt bij het gerecht tegen de brief van verweerder van 9 februari 2024, waarin is vermeld dat de Dienst Brandweer heeft besloten dat hij zijn eigen functie op de Afdeling Alarmcentrale dient te hervatten.
1.2
Het gerecht heeft het bezwaar behandeld op zitting van 9 december 2024. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden voornoemd.
1.3
Bij tussenuitspraak van 24 februari 2025 heeft het gerecht het onderzoek heropend voor het inwinnen van nadere informatie.
1.4
Op 24 maart 2025 heeft verweerder een akte met producties ingediend. Klager heeft daarop gereageerd.
1.5
De zaak is andermaal behandeld op een zitting op 30 juni 2025. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden voornoemd. Verweerder heeft een pleitnotitie voorgedragen met een reactie op door het gerecht op 11 juni 2025 gestelde vragen.
1.6
Het onderzoek is daarop gesloten. De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Wat is van belang te weten?

2.1
Klager is werkzaam als ambtenaar bij de Centrale Dienst Brandweer in de functie van medewerker brandweerzorg. Klager was werkzaam bij de Afdeling Alarmcentrale.
2.2
Klager is op 1 februari 2022 geplaatst bij de afdeling Preventie voor een periode van zes maanden. Die periode is uiteindelijk verlengd tot 1 mei 2023. Klager is per 1 mei 2023 teruggeplaatst naar de Afdeling Alarmcentrale. Dit is tevens neergelegd in een memo van 24 mei 2023.
2.3
Klager heeft tegen de memo van 24 mei 2023 intern ‘bezwaar’ gemaakt bij brief van 30 mei 2023. Die brief is gericht aan de Minister van Justitie en Sociale Zaken. De minister wordt daarin gevraagd de ‘gedwongen overplaatsing’ ongedaan te maken. Zo niet dan zal klager, gesteund door zijn vakbond, gerechtelijke stappen ondernemen, aldus de brief.
2.4
Op 23 januari 2024 heeft de directeur van de Departamento Recurso Humano (DRH) geadviseerd om klager te informeren dat er geen sprake is geweest van een overplaatsing, noch minder van een gedwongen overplaatsing naar de Afdeling Preventie, maar van beëindiging van zijn tijdelijke inzet op de afdeling Preventie, in het kader van het tijdelijke Project Preventie.
2.5
In de brief van verweerder van 9 februari 2024 wordt melding gemaakt van de personeelstekorten bij zowel de Afdeling Alarmcentrale als bij de Afdeling Preventie. Om te voorzien in een acceptabele bezetting op beide afdelingen is klager verzocht of hij kon instemmen met een tijdelijke inzet bij de Afdeling Preventie. Dit in het kader van een tijdelijk project voor de duur van zes maanden, het Project Preventie. Klager heeft hiermee ingestemd. Nadien heeft de (wnd.) commandant besloten klager terug te plaatsen naar de Afdeling Alarmcentrale, dit om onderbezetting op de Afdeling Alarmcentrale te voorkomen.
De ontvankelijkheid
3.1
Het gerecht stelt vast dat het bezwaar van klager formeel is gericht tegen de brief van de gouverneur van 9 februari 2024, maar materieel tegen de beslissing van de (wnd.) commandant om hem terug te plaatsen naar de Afdeling Alarmcentrale. Het gerecht gaat hieronder in op de vraag wat dit betekent voor de ontvankelijkheid van het bezwaar.
3.2
Voor zover het bezwaar van klager moet worden begrepen als te zijn gericht tegen de beslissing van de (wnd.) commandant geldt het volgende. Het gerecht stelt vast dat klager per 1 mei 2023 feitelijk is teruggeplaatst van de Afdeling Preventie naar de Afdeling Alarmcentrale. Dit als gevolg van een beslissing van de (wnd.) commandant. Dit is ook neergelegd in een memo van de Dienst Brandweer van 24 mei 2023.
3.3
Het gerecht is van oordeel dat de beslissing van de (wnd.) commandant van de Dienst Brandweer om klager terug te plaatsen aangemerkt moet worden als een handeling c.q. maatregel waartegen op grond van artikel 35 Landsverordening Pro ambtenarenrechtspraak bezwaar kon worden gemaakt. De commandant heeft op grond van het Landsbesluit instelling Dienst Brandweer de leiding over de Dienst Brandweer en is het bevoegd gezag wat betreft de (tijdelijke) inzet van het personeel. Verweerder en de Minister van Justitie zijn hiertoe niet bevoegd. De (beëindiging van de) tijdelijke inzet van klager bij de Afdeling Preventie betrof geen door de minister opgelegde verplichting om tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten als bedoeld in artikel 52 Landsverordening Pro materieel ambtenarenrecht (Lma) en evenmin het aanvaarden van een andere betrekking of werkkring als bedoeld in artikel 53 Lma Pro.
3.4
Klager heeft tegen de handeling c.q. maatregel van de (wnd.) commandant intern ‘bezwaar’ gemaakt bij brief van 30 mei 2023 gericht aan de Minister van Justitie en Sociale Zaken, maar heeft destijds geen bezwaarschrift ingediend bij het gerecht.
Als klager tegen de terugplaatsing bezwaar had willen maken bij het gerecht, dan had hij dat moeten doen binnen 30 dagen na de feitelijke terugplaatsing of na ontvangst van de memo van 24 mei 2023. Het bezwaar van klager van 12 maart 2024 tegen de terugplaatsing is niet binnen dertig dagen en dus te laat bij het gerecht ingediend. Het gerecht ziet geen reden de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Daarbij betrekt het gerecht dat de brief van 30 mei 2023 is opgesteld door klagers gemachtigde waarin wordt aangekondigd dat zo nodig gerechtelijke stappen zullen worden ondernomen. Die stappen zijn uiteindelijk in maart 2024 genomen, en dus niet binnen de daarvoor bij wet bepaalde termijn. De gevolgen van deze keuze komen voor rekening en risico van klager.
3.5
Dit betekent dat het bezwaar voor zover gericht tegen de handeling c.q. maatregel van de (wnd.) commandant niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3.6
Voor zover het bezwaar van klager moet worden begrepen als te zijn gericht tegen de brief van verweerder van 9 februari 2024 geldt het volgende. Verweerder heeft in zijn brief melding gemaakt van de beslissing van de Dienst Brandweer om klager per 1 mei 2023 terug te plaatsen. De brief van 9 februari 2024 bevat over de terugplaatsing geen beslissing, handeling c.q. maatregel gericht op zelfstandig ambtelijk rechtsgevolg. Tegen die feitelijke mededeling kan op grond van artikel 35 Landsverordening Pro ambtenarenrechtspraak geen bezwaar worden gemaakt.
3.7
Dit betekent dat het bezwaar voor zover gericht tegen de brief van verweerder eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Conclusie
4.1
Het gerecht komt daarom tot de conclusie dat het bezwaar van 12 maart 2024, zoals aangevuld op 2 mei 2024, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4.2
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk
Deze beslissing is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, rechter in ambtenarenzaken, en wordt geacht te zijn uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:
  • Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;
  • In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij:
De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de datum van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.