ECLI:NL:OGAACMB:2016:49

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
29 augustus 2016
Publicatiedatum
1 september 2016
Zaaknummer
Gaza nr. 2408 van 2015
Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 LaArt. 97 LaArt. 98 La
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing bevordering wegens onvoldoende zorgvuldige beoordeling functioneren ambtenaar

Klager heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid waarin zijn verzoek tot bevordering naar hoofdcommies 1ste klasse is afgewezen. De minister baseerde de afwijzing uitsluitend op een negatieve beoordeling van klagers functioneren, die niet eerder aan klager was medegedeeld.

Het gerecht oordeelt dat deze beoordeling niet voldoet aan de vereiste zorgvuldigheid omdat klager niet voorafgaand aan de beschikking de gelegenheid heeft gekregen zijn zienswijze te geven. Dit is in strijd met de beginselen van een behoorlijke beoordelingsprocedure.

Daarom is de beschikking onvoldoende gemotiveerd en dient deze te worden vernietigd. De minister wordt opgedragen binnen drie maanden een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de juiste procedure.

Daarnaast veroordeelt het gerecht de minister in de proceskosten van klager, vastgesteld op Afl. 700,- aan gemachtigdensalaris.

Uitkomst: De afwijzing van het bevorderingsverzoek wordt vernietigd vanwege onvoldoende zorgvuldige beoordeling en de minister moet binnen drie maanden een nieuwe beslissing nemen.

Uitspraak

Uitspraak van 29 augustus 2016
Gaza nr. 2408 van 2015
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
[klager],
wonende te Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: mr. L. Hernandis,
tegen:
de minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid,
zetelende te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ).

1.PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 9 september 2015 heeft verweerder afwijzend beslist op klagers verzoek om met ingang van 1 november 2011 te worden bevorderd naar de rang van hoofdcommies 1ste klasse (schaal 11).
Tegen deze beschikking heeft klager op 16 oktober 2015 bij het gerecht bezwaar gemaakt.
De zaak is behandeld ter zitting van 13 juni 2016, alwaar klager is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.
Uitspraak is nader bepaald op heden.

2.OVERWEGINGEN

2.1
Het gerecht stelt vast dat verweerder in de bestreden beschikking als enige grond voor weigering van de door klager gewenste bevordering heeft vermeld dat hij niet voldoet aan het vereiste van een gunstige beoordeling omtrent zijn functioneren. Daartoe is in de bestreden beschikking gesteld dat uit ambtsberichten van het hoofd van het Departamento di Progreso Laboral is vernomen dat klager nog niet op het vereiste niveau functioneert.
2.2
Klager betwist de juistheid van de door verweerder gehanteerde weigeringsgrond. In dit verband heeft hij betoogd - zo begrijpt het gerecht - dat het oordeel van verweerder niet berust op een met voldoende waarborgen omklede beoordelingsprocedure met betrekking tot zijn functioneren.
Dit betoog treft doel. Van de voor klager ongunstige beoordeling blijkt uitsluitend uit een door klagers diensthoofd aan de Departamento di Recurso Humano (DRH) gezonden brief van 13 februari 2015, met als onderwerp “commentaar en advies bevorderingsverzoek [klager]”. Niet betwist is dat het daarin verwoorde negatieve oordeel omtrent klagers functioneren niet eerder aan hem is medegedeeld dan in het kader van de onderhavige procedure. Dit verdraagt zich niet met de bij de vaststelling van een beoordeling in acht te nemen zorgvuldigheid. Die brengt met zich dat een ongunstige beoordeling, voordat daar voor de ambtenaar negatieve consequenties aan worden verbonden, aan de ambtenaar wordt kenbaar gemaakt en aan deze de gelegenheid wordt geboden zijn zienswijzen daarover kenbaar te maken. Nu dit is nagelaten is de bestreden beschikking niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen en als gevolg daarvan niet voorzien van een deugdelijke motivering.
2.3
De slotsom is dat het bezwaar van klager gegrond is, zodat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd. Verweerder zal binnen drie maanden een nieuwe beslissing moeten nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
2.4
Verweerder zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, die begroot worden op een bedrag van Afl. 700,= aan gemachtigdensalaris.
2.5
Beslist wordt als volgt.

3.BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
 verklaart het bezwaar van klager gegrond;
 vernietigt de bestreden beschikking van verweerder van 9 september 2015;
 bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op klagers verzoek met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
 veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, die begroot worden op een bedrag van Afl. 700,= aan gemachtigdensalaris.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.T. Paulides, rechter in ambtenarenzaken te Aruba, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.
Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).
Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).
Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, 2e lid, La).