ECLI:NL:OGAACMB:2016:41

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
13 juni 2016
Publicatiedatum
22 juni 2016
Zaaknummer
GAZA nr. 2807 van 2015
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 Landsverordening ambtenarenrechtspraakArt. 89 Landsverordening ambtenarenrechtspraakArt. 97 Landsverordening ambtenarenrechtspraakArt. 98 Landsverordening ambtenarenrechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot terugkomen op schorsingsbesluit ambtenaar

Klager was sinds 5 september 2011 geschorst met inhouding van zijn inkomen in verband met een disciplinair onderzoek. Op 4 november 2015 werd de schorsing opgeheven, maar klager maakte hiertegen bezwaar. Het bezwaar werd behandeld op 23 mei 2016.

Het gerecht oordeelde dat het bezwaarschrift tijdig was ingediend, gelet op de ontvangst van de beschikking. Vervolgens werd overwogen dat klager het eerdere bezwaar tegen de schorsing had ingetrokken, waardoor die beschikking rechtens onaantastbaar was geworden. Het bestuursorgaan mag een verzoek tot terugkomen op een eerdere beschikking inhoudelijk behandelen, maar bij handhaving mag de rechter zich beperken tot de vraag of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die heroverweging rechtvaardigen.

Klager slaagde er niet in dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden aannemelijk te maken. Het feit dat de schorsing werd opgeheven en geen disciplinaire maatregelen meer worden genomen, is daarvoor onvoldoende. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het bezwaar van klager tegen het besluit tot handhaving van de schorsing wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Uitspraak van 13 juni 2016
GAZA nr. 2807 van 2015
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
[KLAGER],
wonende te Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: de advocaat mr. H.F. Falconi,
gericht tegen:
de Gouverneur van Aruba
en
de Minister van Justitie (hierna ook de Minister),
zetelende te Aruba,
VERWEERDERS,
gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ).

1.PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit no. 1 van 30 augustus 2011 is klager ingaande 5 september 2011 voor de duur van een disciplinair onderzoek in zijn ambt geschorst met inhouding van zijn inkomen. Bij brief van 2 februari 2015 heeft klager verzocht om opheffing van de schorsing en hervatting van loonbetaling en restitutie van niet uitbetaald loon.
Bij brief van 3 november 2015 heeft de Minister klager bericht dat de schorsing wordt opgeheven met ingang van 4 november 2015.
Hiertegen heeft klager op 10 december 2015 bij het gerecht bezwaar gemaakt.
De zaak is behandeld ter zitting van 23 mei 2016, alwaar zijn verschenen klager in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde en verweerder bij gemachtigde.
Uitspraak is bepaald op heden.

2.OVERWEGINGEN

2.1
Het gerecht stelt vast dat het bezwaarschrift niet binnen in artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) bepaalde termijn van dertig dagen nadat de bestreden beschikking is genomen, is ingediend. Klager heeft in dit verband verklaard de bestreden beschikking pas op 13 november 2015 te hebben ontvangen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Het tegendeel blijkt ook niet uit de gedingstukken. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat klager zijn bezwaarschrift heeft ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen, zoals bedoeld in artikel 41, derde lid, van de La. Klager kan derhalve in zijn bezwaar worden ontvangen.
2.2
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de schorsing opgeheven.
Voor zover de bestreden beschikking moet worden aangemerkt als een weigering om terug te komen op de beslissing van 30 augustus 2011 ten aanzien van de inhouding van het loon van klager overweegt het gerecht als volgt.
2.3
Klager heeft een tegen de beslissing van 30 augustus 2011 ingediend bezwaarschrift ingetrokken zodat dit rechtens onaantastbaar is geworden. Volgens vaste jurisprudentie is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om een verzoek om terug te komen op een eerder genomen beschikking inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beschikking in volle omvang te heroverwegen. Indien het bestuursorgaan de beschikking handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het de oorspronkelijke beschikking. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen. De ambtenarenrechter dient dan ook de oorspronkelijke beschikking tot uitgangspunt te nemen en zich bij de toetsing van de nieuwe beschikking in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die voor het bestuursorgaan aanleiding hadden moeten vormen op de oorspronkelijke beschikking terug te komen. Klager heeft het bestaan van dergelijke feiten of omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat verweerder thans heeft besloten geen disciplinaire maatregelen (meer) te nemen en de schorsing op te heffen kan niet als zodanig worden aangemerkt. Hetgeen klager overigens naar voren heeft gebracht had hij ook naar voren kunnen brengen in het kader van een tegen het landsbesluit van 30 augustus 2011 in te stellen rechtsmiddel. Het bezwaar van klager is derhalve ongegrond.

3.BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.T. Paulides, rechter in ambtenarenzaken en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2016 in aanwezigheid van de griffier.
Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).
Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).
Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).