ECLI:NL:KTGBOZ:2001:AB2304

Kantongerecht Bergen op Zoom

Datum uitspraak
27 juni 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
195951/AZ/verz 01-193
Instantie
Kantongerecht Bergen op Zoom
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:662 BWArt. 7:685 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbindingsverzoek arbeidsovereenkomst wegens onvoldoende aannemelijkheid bedrijfsbeëindiging

De kantonrechter behandelde het verzoek van Warmtecentrum B.V. om de arbeidsovereenkomst met de werknemer, die sinds 1962 in dienst was, te ontbinden wegens gewichtige redenen. De werkgever stelde dat de directeur ernstig ziek was en dat het bedrijfspand ernstig vervuild was, waardoor het bedrijf per 1 september 2001 zou sluiten. Tevens was er geen werk meer voor de werknemer.

De werknemer voerde verweer en betwistte dat er een geldige reden was voor ontbinding. Hij stelde dat sprake zou zijn van een overgang van onderneming en eiste een ontbindingsvergoeding van 500.000 gulden.

De kantonrechter oordeelde dat de werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bedrijf daadwerkelijk zou sluiten of dat het cliëntenbestand zou worden verkocht. Ook was niet vastgesteld dat er geen werk meer was, aangezien het werk door een beoogd koper werd verricht en de werknemer dit werk ook kon doen. Daarom werd het ontbindingsverzoek afgewezen.

De kantonrechter gaf partijen het advies om in overleg te treden over een passende oplossing en wees op de redelijkheid bij het bepalen van een eventuele ontbindingsvergoeding. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten van de werknemer.

Uitkomst: Het ontbindingsverzoek van Warmtecentrum B.V. wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van bedrijfsbeëindiging.

Uitspraak

KANTONGERECHT BERGEN OP ZOOM
Beschikking in de zaak van
De besloten vennootschap [verzoekster] WARMTECENTRUM B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Etten-Leur,
verzoekster, nader te noemen “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. D.J.A. Smit, advocaat te Etten-Leur,
tegen
[verweerder], wonende te [adres],
verweerder, nader te noemen “[verweerder]”,
gemachtigde: mw.mr. J.A.J. Saman, medewerkster van FNV Ledenservice te Bergen op Zoom.
1. Procesgang
Het verloop van de procedure blijkt uit:
= het verzoekschrift, met producties,
= het schrijven van [verweerder] dd. 2 juni 2001,
= het verweerschrift van [verweerder], met productie,
= het faxbericht van mr. Smit van 19 juni 2001, met producties,
= de mondelinge behandeling van het verzoek op de terechtzitting van 19 juni 2001, waarbij aanwezig waren J.A.M. Hermans, registeraccountant, en mr. Smit voornoemd, namens [verzoekster], en waarbij [verweerder] in persoon aanwezig was, bijgestaan door mw. Saman voornoemd;
= de door mr. Smit ter zitting overgelegde notities.
2. Inleiding
[verzoekster] heeft de kantonrechter verzocht de tussen haar en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen.
[verweerder] heeft verweer gevoerd.
Zaaknummer: 195951/AZ/verz 01-193 -2-
3. De beoordeling
3.1.
Op grond van hetgeen door partijen over en weer is gesteld, is de kantonrechter genoegzaam gebleken dat er geen verband bestaat tussen de indiening van het onderhavige ontbindingsverzoek en één of meer van de in artikel 7:685 BW Pro genoemde opzegverboden.
3.2.
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist het volgende vast:
a. Tussen [verzoekster] en [verweerder], thans 55 jaar oud, bestaat een arbeidsovereenkomst krachtens welke [verweerder] sedert augustus 1962 voor onbepaalde tijd bij [verzoekster] in dienst is getreden als chauffer;
b. Het laatstelijk door [verweerder] verdiende loon bedraagt fl. 1.079,57 bruto per week;
c. Naast de directeur/groot aandeelhouder van [verzoekster], is [verweerder] de enige werknemer in het bedrijf van [verzoekster];
d. [verweerder] heeft ermee ingestemd dat hij in de periode van begin mei tot 1 september 2001 zijn verlof- en ATV-dagen opneemt.
3.3.
[verzoekster] wenst thans tot beëindiging van het dienstverband te komen. Dat verzoek grondt zij op gewichtige redenen, bestaande in zodanige veranderingen in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst met [verweerder] billijkheidshalve dadelijk of op korte termijn dient te eindigen. [verzoekster] stelt daartoe -zakelijk weergegeven- dat haar directeur/grootaandeelhouder, de thans 67-jarige heer [verzoekster], ernstig ziek is en dien ten gevolge niet in staat om het bedrijf nog langer te leiden. Voorts wijst zij erop dat de bodem onder haar bedrijfspand ernstig vervuild is en dat met de sanering daarvan hoge kosten gemoeid zijn, waarvan een deel door de gemeente zal worden vergoed, maar de overige kosten ten laste van de BV zullen komen. [verzoekster] stelt op grond van het vorenstaande te hebben moeten besluiten haar bedrijf met ingang van 1 september 2001 te sluiten en zich om diezelfde reden genoodzaakt te zien de beëindiging van het dienstverband met [verweerder] na te streven. Ter zitting heeft [verzoekster] daar nog aan toegevoegd dat er momenteel ook geen werk voor [verweerder] voorhanden is. [verzoekster] heeft zich bereid verklaard om het bedrag dat zij vermoedelijk (maximaal) zal kunnen realiseren uit de verkoop van haar cliëntenbestand, te weten een bedrag van f. 100.000,--, aan [verweerder] beschikbaar te stellen als ontbindingsvergoeding.
3.4.
[verweerder] heeft verweer gevoerd tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Hij heeft beaamd dat de directeur/grootaandeelhouder van [verzoekster] BV ernstig ziek is en dat de bodem onder het bedrijfspand ernstig vervuild is, maar hij ziet in die omstandigheden geen geldige reden om het dienstverband met hem te beëindigen. Volgens [verweerder] zal sprake zijn van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 7:662 BW Pro.
Voor het geval de kantonrechter van oordeel mocht zijn dat er toch een einde dient te komen aan het tussen partijen bestaande dienstverband, maakt [verweerder] aanspraak op toekenning van een ontbindingsvergoeding ten bedrage van f. 500.000,-- bruto. [verweerder] wijst in dat verband
Zaaknummer: 195951/AZ/verz 01-193 -3-
op zijn bijna 40-jarige dienstverband met [verzoekster], op zijn leeftijd die -mede gelet op zijn eenzijdige werkervaring- het vinden van een gelijkwaardige baan elders niet erg rooskleurig maakt, en op de pensioenschade die hij zal lijden bij verlies van zijn baan bij [verzoekster].
3.5.
De kantonrechter is, gelet op hetgeen door partijen over en weer is gesteld en op grond van hetgeen daaromtrent bij gelegenheid van de mondelinge behandeling nader is aangevoerd, van oordeel dat [verzoekster] in het kader van deze procedure onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar bedrijf metterdaad per 1 september 2001 zal beëindigen, althans dat zij dan slechts haar cliëntenbestand zal verkopen. Het moge zo zijn dat [verzoekster] van plan is per die datum haar bedrijf te sluiten, maar nu -zoals ter zitting is gebleken- nog niets is uitgewerkt of vastgelegd omtrent, bijvoorbeeld, de (enkele) overname van het cliëntenbestand door een derde, is er naar het oordeel van de kantonrechter (nog) onvoldoende grond om het dienstverband met [verweerder] reeds thans te beëindigen. In dat verband overweegt de kantonrechter voorts dat er evenmin aanleiding bestaat om het dienstverband reeds nu te beëindigen omdat er geen werk meer beschikbaar zou zijn. Ter zitting is immers gebleken dat het werk dat voorheen door [verweerder] werd gedaan, thans wordt verricht door de -kennelijk- beoogd koper van het cliënten-bestand van [verzoekster], een zekere [werknemer]. Niet valt in te zien waarom [verweerder] dat werk niet (meer) zou kunnen verrichten. Het feit dat [verweerder] heeft ingestemd met het opnemen van zijn verlof- en ATV-dagen mag naar het oordeel van de kantonrechter bij de beoordeling van dit punt niet worden uitgelegd als een erkenning zijdens hem dat er voor hem geen werk meer zou zijn.
3.6.
Gelet op het bovenstaande zal de kantonrechter het onderhavige ontbindingsverzoek afwijzen. Hij geeft partijen echter in overweging om, nu het zich laat aanzien dat [verzoekster] toch op enig moment haar bedrijf zal gaan beëindigen, met elkaar in overleg te treden om gezamenlijk te zoeken naar een zodanige oplossing dat aan de belangen van beide partijen recht wordt gedaan. Hij overweegt in dat kader dat het hem voorshands niet redelijk voorkomt om de omstandigheid dat [verzoekster] nog een forse investering zal moeten doen om haar bedrijfsperceel te saneren, al te zeer mee te laten wegen bij de vaststelling van de hoogte van de aan [verzoekster] toe te kennen ontbindingsvergoeding. Anderzijds ziet hij in de, in het kader van deze procedure gestelde en/of gebleken omstandigheden van het geval, voorshands weinig basis voor de stelling dat in het kader van de vaststelling van een ontbindingsvergoeding een C-factor van 2 gerechtvaardigd zou zijn.
3.7.
Nu het verzoek van [verzoekster] zal worden afgewezen, dient [verzoekster] als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure te dragen.
4. Beslissing
De kantonrechter:
= wijst het onderhavige ontbindingsverzoek van [verzoekster] af;
Zaaknummer: 195951/AZ/verz 01-193 -4-
= veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [verweerder] gevallen en tot deze uitspraak begroot op f. 800,-- (achthonderd gulden), zijnde het salaris voor de gemachtigde van [verweerder].
Deze beschikking is gegeven te Bergen op Zoom door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.