Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:996

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
24/04832
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27c SvArt. 28 SvArt. 28a SvArt. 28b SvArt. 28c Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping strafvermindering wegens vormverzuim bij afstand van recht op rechtsbijstand niet-aangehouden verdachte

De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en bedreiging. De verdediging voerde in hoger beroep aan dat sprake was van een vormverzuim omdat de verdachte, die als kwetsbaar werd aangemerkt vanwege onder meer een autismespectrumstoornis, voorafgaand aan en tijdens het politieverhoor geen rechtsbijstand had gehad en niet volledig was geïnformeerd over de mogelijkheid van kosteloze rechtsbijstand op grond van de Regeling adviestoevoeging zelfredzaamheid (Ratz).

Het hof oordeelde dat de verdachte rechtsgeldig afstand had gedaan van het recht op rechtsbijstand, omdat zij niet was aangehouden en alleen recht had op een zelf te betalen advocaat. Het hof vond dat de Ratz alleen voorziet in kosteloze rechtsbijstand bij complexe juridische vraagstukken, wat hier niet aan de orde was. Het hof concludeerde dat de politie de wettelijk voorgeschreven mededelingen had gedaan en dat de verdachte niet als kwetsbaar in de zin van het wetboek hoefde te worden aangemerkt.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat niet-aangehouden verdachten geen recht hebben op kosteloze rechtsbijstand voorafgaand aan en tijdens het verhoor, en dat de politie niet verplicht is te informeren over de mogelijkheid van een adviestoevoeging zelfredzaamheid. Hoewel het hof onvoldoende gemotiveerd heeft of de verdachte redelijkerwijs kon oordelen over de afstand van rechtsbijstand gezien haar stoornissen, leidt dit niet tot cassatie omdat de verdediging geen nadeel heeft aangetoond. De verklaring van de verdachte is niet als bewijs gebruikt, zodat geen sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het vormverzuim leidt niet tot strafvermindering omdat geen nadeel is vastgesteld.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04832
Datum23 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2024, nummer 21-000774-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van een verweer dat strekt tot strafvermindering in verband met een vormverzuim. Het keert zich daarbij tegen het oordeel van het hof dat de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van haar recht op rechtsbijstand voorafgaand aan en tijdens het politieverhoor.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
2.2.1
Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd, behalve wat betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In dat vonnis is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1 zij op 9 maart 2023 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze [benadeelde] met een koekenpan tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2 zij op 9 maart 2023 te [plaats] , [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen “zodra ik haar verhaal weet en zij liegt dan krijgt zij een grote mes in de buik zodat haar kind dood gaat en ben kanker serieus over die prijs op haar hoofd dus ze moet lekker oppassen waar ze heen gaat en sterf”.”
2.2.2
Het mondeling vonnis van de politierechter is op grond van artikel 378 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
“De politierechter volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2024;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 maart 2023 (...) inhoudende de verklaring van [benadeelde] .”
Procesverloop
2.3.1
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“BEROEP OP VORMVERZUIM EX 359a Sv:
Uitdrukkelijk standpunt verdediging:
Er is onjuiste mededeling gedaan omtrent kosten bijstand raadsman. Verdachte heeft op basis van deze onjuiste informatie afstand gedaan van rechtsbijstand.
Voorts is de verdachte kennelijk kwetsbaar, en is niet gebleken dat zij vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van rechtsbijstand.
PV verhoor verdachte 20 juni 2023: (...)
- informeren verdachte: de verdachte bleek kennis genomen te hebben van de brochure ‘mededeling van rechten verdachte voor volwassenen’
- ‘Verhoorbijstand niet aangehouden verdachte
Aan de verdachte werd medegedeeld dat zij:
- recht heeft op consultatiebijstand
- tijdens het verhoor recht heeft op verhoorbijstand,
Van een zelf te betalen advocaat. Dat zij van dat recht afstand kan doen, dat dat nadelige gevolgen kan hebben en dat zij altijd terug kan komen op haar beslissing.
De verdachte verklaarde geen gebruik te willen maken van:
het recht op consultatiebijstand
het recht op verhoorbijstand.
Geen financiele middelen.
Voorts:
‘Je hebt het recht om voor aanvang van het verhoor met een advocaat te spreken. Heb jij met een advocaat gesproken?
A: nee ik verdien daarvoor te weinig geld. Ik zou er wel gebruik van willen maken maar dat kan ik niet betalen.
V: je hebt het recht om je tijdens verhoor te laten bijstaan door een advocaat. Wil je daar gebruik van maken?
A: nee, zie mijn vorige antwoord.
Onderbouwing standpunt verdediging:
I De verdachte is onjuist geïnformeerd.
Dientengevolge is door verdachte niet vrijwillig en ondubbelzinnig afstand gedaan van bijstand van een raadsman voorafgaand en tijdens het politieverhoor.
Zij had immers wél een beroep kunnen doen op gefinancierde verhoorbijstand door een advocaat op basis van de Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid van de raad voor rechtsbijstand, die geldt sedert 1 juli 2021 (gehecht aan pleitnota).
Op 11 oktober 2023 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in het beroep met kenmerk RVS:2023:3770.
Het beroep was ingesteld tegen afwijzing van een toevoeging voor rechtsbijstand tijdens verhoor van een niet-aangehouden verdachte. Inmiddels is n.a.v. deze uitspraak bij politieverhoren op verdenking van feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten in het beleid van de Raad sedert 1-1-2024 voorzien in het kunnen verzoeken van een Lichte Advies Toevoeging (aangehecht aan pleitnota, kenniswijzer S040 RVR).
De verdediging verwijst naar: HR:2024:412:
(...)
De verdediging wijst op de Regeling adviestoevoeging zelfredzaamheid, welke startte op 1 juli 2021. Blijkens de toelichting op de website van de raad voor rechtsbijstand kan voor zaken waarbij doorverwijzing volgens de richtlijnen van de raad voor rechtsbijstand niet mogelijk is en die te complex zijn voor afhandeling in de eerste lijn, door de Raad tijdelijk aan advocaten een specifiek voor dit doel ingerichte variant van een lichte adviestoevoeging, de Atz (adviestoevoeging zelfredzaamheid) verstrekt.
Voor deze Atz is geen eigen bijdrage verschuldigd.
Tijdens het verhoor van verdachte op 20 juni 2023, gold de Regeling adviestoevoeging zelfredzaamheid.
Verdachte had op basis van deze regeling een verzoek kunnen doen om bijstand van een advocaat bij consultatie en tijdens het verhoor.
Zij is hierop blijkens het proces-verbaal van het verhoor niet gewezen.
De verdediging stelt zich hierom op het standpunt dat sprake is van verzuim van vormen als bedoeld in 359a Sv, onder verwijzing naar HR:2024:412, voornoemd.
De afstand door verdachte van rechtsbijstand voorafgaand en tijdens het verhoor is tot stand gekomen op basis van onjuiste c.q. onvolledige informatie.
Hierdoor heeft zij niet vrijwillig en ondubbelzinnig afstand gedaan van rechtsbijstand (vergelijk: EHRM 12 mei 2017 Simeonovi/Bulgarije).
II Verdachte was kennelijk kwetsbaar. Er heeft geen vrijwillige en ondubbelzinnige afstand van het recht op rechtsbijstand voorafgaand en tijdens politieverhoor plaatsgevonden.
Vide:
HR:2024:556
(...)
Onderbouwing standpunt verdediging:
Blijkens het politieverhoor van verdachte (...) op 20 juni 2023 is door verdachte verklaard:
‘op mijn 7de werd bij mij PDDNOS geconstateerd. Tegenwoordig valt dat onder autisme. Toen ik 12 werd bij mij een sociale angststoornis en depressie geconstateerd. In mijn geval betreft het een klinische depressie, dat betekent dat het komt en gaat.
Toen ik 15 was kwam ik via [A] in contact met een psycholoog. Uit deze gesprekken bleek dat ik ook last heb van een complexe post traumatische stress stoornis. Ik heb bij [A] dan ook meerdere malen EMDR sessies ondergaan. Deze hadden echter geen resultaat.
V: hoe gaat het nu dan met je?
A: Ja het Wij-team gaat mij proberen te helpen bij het zoeken naar verdere hulp. Verder wordt er gekeken of ik bij [B] terecht kan voor hulp. Bij [B] zou ik intensieve traumabehandeling kunnen krijgen.’.
Onder verwijzing naar HR:2024: 556
Uit de verklaringen van verdachte volgt dat sprake is van jongvolwassenheid en kennelijke kwetsbaarheid, waarbij wordt aangegeven dat sprake is van PDD-Nos/autisme, depressie en complexe PTSS.
Het had op de weg van de politie gelegen een raadsman in te schakelen wegens de kennelijke kwetsbaarheid van verdachte.
Ook de politierechter heeft zich er niet van vergewist of verdachte redelijkerwijze in staat was tot het oordelen over de mogelijke gevolgen van een afstand van het recht op rechtsbijstand.
O.a. is opgemerkt door de politierechter dat zij het ‘jammer vindt dat geen reclasseringsadvies is kunnen worden uitgebracht’, p. 2.
Onder anderen over het mogelijke belang van meewerken aan een reclasseringsadvies is cliente echter uiteraard ook niet geïnformeerd door een raadsman.
Conclusie t.a.v 1) onjuist informeren en 2) kwetsbaarheid verdachte:
De verdediging stelt uitdrukkelijk, onder verwijzing naar 359a Sv dat:
Sprake is van verzuim van vormen bij het voorbereidend onderzoek die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken.
Daarbij voert de verdediging aan:
Belang geschonden voorschrift, ernst van het verzuim en nadeel, ex 359a lid 2 WvSv:
- Een fundamenteel recht is geschonden, t.w. recht op rechtsbijstand voor en tijdens het politieverhoor
- Ernst verzuim: ondanks dat verdachte aangeeft liefst wel rechtsbijstand te wensen is verhoor voortgezet.
- Het nadeel is dat cliënte als kwetsbare verdachte met autismespectrumstoornis, PPD-nos en PTSS de gehele eerste aanleg geen bijstand heeft genoten van een advocaat waarbij dit verzuim tot gevolg heeft dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces idzv 6 EVRM
De verdediging verzoekt uw college hieraan als rechtsgevolg te verbinden dat het vormverzuim wordt gecompenseerd in de eventuele strafmaat.”
2.3.2
Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte waarnaar wordt verwezen en waaruit wordt geciteerd in de pleitnota houdt onder meer in:
“Informeren verdachte
De verdachte bleek kennis te hebben genomen van de brochure ‘Mededeling van rechten verdachte voor volwassenen’.
Verhoorbijstand niet aangehouden verdachte
Aan de verdachte werd meegedeeld dat zij:
- recht heeft op consultatiebijstand;
- tijdens het verhoor recht heeft op verhoorbijstand, van een zelf te betalen advocaat. Dat zij van dat recht afstand kan doen, dat dat nadelige gevolgen kan hebben en dat zij altijd terug kan komen op haar beslissing.
De verdachte verklaarde geen gebruik te willen maken van:
- het recht op consultatiebijstand;
- het recht op verhoorbijstand.
Geen financiële middelen.
Verhoor verdachte
Bij aanvang van het verhoor werd de verdachte meegedeeld waarvan zij werd verdacht en dat zij niet tot antwoorden verplicht was.
De verdachte verklaarde:
(...)
V: Jij bent vandaag op uitnodiging verschenen aan het politiebureau om gehoord te worden als verdachte van mishandeling en bedreiging. Als verdachte ben je niet tot antwoorden verplicht. Begrijp je dat?
A: Ja.
V: Je hebt het recht om voor aanvang van het verhoor met een advocaat te spreken. Heb jij met een advocaat gesproken?
A: Nee, ik verdien daarvoor te weinig geld. Ik zou er wel gebruik van willen maken maar dat kan ik niet betalen.
V: Je hebt het recht om je tijdens het verhoor te laten bij staan door een advocaat. Wens jij daar gebruik van te maken?
A: Nee, zie mijn vorige antwoord.
V: Voordat ik vragen ga stellen over de feiten waar jij van verdacht wordt wil ik je eerst een aantal vragen stellen over jouw persoonlijke omstandigheden. Begrijp jij dat?
A: Ja.
V: Waar woon je op dit moment?
A: [a-straat 1] te [plaats] .
V: Sinds wanneer woon je daar?
A: Sinds 1 juni 2023
V: Waar woonde jij hiervoor?
A: Aan de [b-straat 1] te [plaats] . Bij [A]
V: Wat is de reden dat je bij [A] hebt gewoond?
A: Omdat het voor mij niet veilig was om thuis te wonen en tevens omdat ik wat mentale problemen.
V: Kun je wat vertellen over jouw mentale problemen?
A: Op mijn 7e werd bij mij PDDNOS geconstateerd. Tegenwoordig valt dat onder autisme. Toen ik 12 werd bij mij een sociale angststoornis en depressie geconstateerd. In mijn geval betreft het een klinische depressie, dat betekent dat het komt en gaat. Toen ik 15 was kwam ik via [A] in contact met een psycholoog. Uit deze gesprekken bleek dat ik ook last heb van een complexe post traumatische stress stoornis. Ik heb bij [A] dan ook meerdere malen EMDR sessies ondergaan. Deze hadden echter geen resultaat.
V: Hoe is het nu dan met je?
A: Ja, het Wij-team gaat mij proberen te helpen bij het zoeken naar verder hulp. Verder wordt er gekeken of ik bij [B] in [plaats] terecht kan voor hulp. Bij [B] zou ik intensieve trauma behandeling kunnen krijgen.
V: Heb jij er vertrouwen in dat jij de juiste hulp kunt krijgen?
A: Dat durf ik niet te zeggen. Ik heb al zoveel hulp gekregen en niets lijkt te werken. Ik zou de hulp als waardeloos kunnen omschrijven. Toen ik als tienjarige met blauwe plekken en ander letsel bij bureau jeugdzorg terechtkwam werd ik daarna gewoon weer naar huis gestuurd. Dat typeert de hulp die ik heb gekregen.”
2.3.3
De uitspraak van het hof houdt onder meer in:
“Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft – kort samengevat – aangevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Volgens de verdediging is aan verdachte een onjuiste mededeling gedaan over de kosten voor bijstand van een raadsman bij het politieverhoor, nu verdachte wel een beroep had kunnen doen op gefinancierde verhoorbijstand door een advocaat op basis van de Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid van de Raad voor Rechtsbijstand. Verdachte heeft dus op basis van onjuiste c.q. onvolledige informatie afstand gedaan van rechtsbijstand. Voorts stelt de verdediging dat verdachte kennelijk kwetsbaar is en dat niet is gebleken dat zij vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van rechtsbijstand. Gelet op de ernst van het vormverzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel, verzoekt de verdediging het hof hieraan als rechtsgevolg te verbinden dat het vormverzuim wordt gecompenseerd in de eventuele strafmaat.
Het oordeel van het hof
(Betaalde) rechtsbijstand
Artikel 6, derde lid, onder c, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Op grond van artikel 28 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de verdachte bevoegd zich te doen bijstaan door een gekozen of aangewezen raadsman. Een verdachte kan op grond van artikel 28a, eerste lid, Sv afstand doen van het recht op rechtsbijstand. Deze afstand moet vrijwillig en ondubbelzinnig worden gedaan door verdachte. Hierbij is van belang dat verdachte ermee bekend is dat hij recht heeft op rechtsbijstand, dat hij wordt ingelicht over de gevolgen van het doen van afstand en dat hem wordt medegedeeld dat hij van zijn beslissing kan terugkomen.
Waar het gaat om het (eerste) politieverhoor van een aangehouden verdachte, geeft het Wetboek van Strafvordering voor een aantal gevallen aanvullende regels over de aanwijzing van een raadsman en het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Dat is onder meer het geval als de aangehouden verdachte vanwege bijvoorbeeld een psychische stoornis of verstandelijke beperking een kwetsbare verdachte betreft, zoals bedoeld in artikel 28b lid 1 Sv. Op grond van artikel 28b lid 1 Sv moet dan een raadsman worden aangewezen. De rechtsbijstand van deze raadsman is op grond van artikel 43 lid 1 Wrb Pro voor de verdachte kosteloos.
Vooralsnog voorziet het Wetboek van Strafvordering niet in specifieke, op het (eerste) politieverhoor van een niet-aangehouden kwetsbare verdachte toegesneden bepalingen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:556, volgt dat dit er echter niet aan af doet dat voor beantwoording van de vraag of een kwetsbare verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand in verband met het (eerste) politieverhoor, van belang kan zijn of verdachte voorafgaand aan het verhoor bijstand heeft gehad van een raadsman, dan wel door een raadsman is voorgelicht over de gevolgen van het doen van afstand. Als daarvan geen sprake is geweest, moet de rechter zich er anderszins van vergewissen dat verdachte – gegeven de concrete beperkingen die samenhangen met de kwetsbaarheid van verdachte – redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over mogelijke gevolgen van het doen van afstand van recht op rechtsbijstand en dus in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen over het doen van afstand.
Tijdelijke Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid (RATZ)
Verder geldt dat naar aanleiding van de toeslagenaffaire en de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag sinds juli 2021 een tijdelijke regeling in het leven is geroepen die vanwege toegenomen complexiteit in de samenleving burgers ook een toevoeging (gefinancierde rechtsbijstand) toekent wanneer zij tussen wal en schip dreigen te raken. Wanneer het inkomen en of vermogen van de burger binnen de grenzen van de gefinancierde rechtsbijstand vallen, hoeft deze, anders dan in reguliere gevallen waarin iemand voor een toevoeging in aanmerking zou komen, daarnaast geen eigen bijdrage te betalen. De betreffende regeling is ook van toepassing op strafzaken en in die zaken kan een aanvraag rechtstreeks bij de Raad voor de Rechtspraak worden ingediend.
Met het oog op het beantwoorden van de vraag of sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, stelt het hof op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, waaronder de stukken in het dossier, het volgende vast.
Verdachte is een niet-aangehouden verdachte en is verhoord op 20 juni 2023. Uit het proces-verbaal van het verhoor van verdachte volgt dat is gebleken dat verdachte voorafgaand aan het verhoor kennis heeft genomen van de brochure ‘Mededeling van rechten verdachte voor volwassenen’. Verder blijkt uit het proces-verbaal dat verdachte voorafgaand aan het verhoor erop is gewezen dat zij recht heeft op consultatiebijstand en dat zij tijdens het verhoor recht heeft op verhoorbijstand van een zelf te betalen advocaat. Hierbij is opgemerkt dat zij daarvan afstand kan doen, maar dat dit nadelige gevolgen kan hebben en dat zij altijd kan terugkomen op haar beslissing. Verdachte heeft daarop verklaard dat zij geen gebruik wilde maken van verhoorbijstand van een advocaat, omdat zij dit niet kan betalen. Vervolgens is verdachte verhoord over haar persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat bij haar PDD-NOS, een sociale angststoornis en een depressie is geconstateerd. Verder heeft zij verklaard dat uit de gesprekken met haar psycholoog is gebleken dat zij last heeft van een complexe PTSS. Daarna heeft een zaakinhoudelijk verhoor plaatsgevonden.
Het hof overweegt als volgt.
Vormverzuim?
Het hof constateert dat verdachte voorafgaand aan haar verhoor door de politie is gewezen op haar recht op consultatie- en verhoorbijstand. Daarbij heeft de politie meegedeeld dat verdachte tijdens het verhoor recht heeft op een zelf te betalen advocaat.
In beginsel heeft een verdachte die niet is aangehouden recht op bijstand van een door hem of haarzelf te betalen advocaat, tenzij sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid waardoor verdachte redelijkerwijs niet in staat is te oordelen over de mogelijke gevolgen van het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand.
Van die bijzondere kwetsbaarheid is bij verdachte ten tijde van het verhoor en ook daarna niet gebleken.
Alhoewel het hof vaststelt dat verdachte is gediagnostiseerd met een autismespectrumstoornis, een dysthyme stoornis en daarnaast een sociale stoornis en in zoverre zou kunnen kampen met een zekere kwetsbaarheid, is het hof ook van oordeel dat daarmee geen sprake is van de bedoelde “bijzondere kwetsbaarheid” op basis waarvan zij in aanmerking zou komen voor toewijzing van kosteloze rechtsbijstand. Het gaat dan om gevallen waarin een verdachte niet in staat is te begrijpen welke vragen in een verhoorsituatie worden voorgelegd. Mede op basis van de wijze waarop het verhoor is verlopen, de beantwoording van de vragen door verdachte tijdens de verhoorsituatie en de indruk van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, stelt het hof vast dat daarvan geenszins sprake is.
De raadsvrouw heeft in dit verband ook een beroep gedaan op de ‘Tijdelijke Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid’. In dat kader overweegt het hof als volgt. Voor zover de voornoemde regeling al van toepassing is op bijstand tijdens het eerste politieverhoor, begrijpt het hof de regeling zo dat van gefinancierde rechtsbijstand sprake kan zijn – kort gezegd – in gevallen waarin sprake is van complexe juridische vraagstukken die gespecialiseerde rechtshulp vereisen. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De politie heeft verdachte in dit geval dus niet onjuist voorgelicht.
Het voorgaande betekent dat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en dat het verweer van de verdediging wordt verworpen.”
Relevante wet- en regelgeving en rechtspraak
2.4.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 27c lid 1, 2 en 3 Sv:
“1. Aan de verdachte wordt bij zijn staandehouding of aanhouding medegedeeld ter zake van welk strafbaar feit hij als verdachte is aangemerkt. Buiten gevallen van staandehouding of aanhouding wordt de verdachte deze mededeling uiterlijk voorafgaand aan het eerste verhoor gedaan.
2. Aan de verdachte die niet is aangehouden, wordt voorafgaand aan zijn eerste verhoor, onverminderd artikel 29, tweede lid, mededeling gedaan van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid, en, indien van toepassing, het recht op vertolking en vertaling, bedoeld in artikel 27, vierde lid.
3. Aan de aangehouden verdachte wordt onverwijld na zijn aanhouding en in ieder geval voorafgaand aan zijn eerste verhoor schriftelijk mededeling gedaan van:
a. het recht om de in het eerste lid bedoelde informatie te ontvangen;
b. de in het tweede lid bedoelde rechten;
(...).”
- Artikel 28 lid 1 Sv Pro:
“De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.”
- Artikel 28a Sv:
“1. De verdachte kan vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doen van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid, tenzij in dit wetboek anders is bepaald.
2. Wanneer de rechter of opsporingsambtenaar blijkt dat de verdachte de in het eerste lid bedoelde afstand van recht wil doen, licht deze hem in over de gevolgen daarvan en deelt deze hem mee dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt.”
- Artikel 28b lid 1 Sv:
“Indien een kwetsbare verdachte of een verdachte van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld, is aangehouden, stelt de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand onverwijld van zijn aanhouding in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. Deze kennisgeving kan achterwege blijven indien de verdachte een raadsman heeft gekozen en deze of een vervangende raadsman tijdig beschikbaar zal zijn.”
- Artikel 28c Sv:
“1. De aangehouden verdachte voor wie ingevolge artikel 28b een raadsman beschikbaar is, wordt de gelegenheid verschaft om voorafgaand aan het eerste verhoor gedurende een termijn van ten hoogste een half uur met hem een onderhoud te hebben. De hulpofficier van justitie kan deze termijn, indien deze ontoereikend blijkt, op verzoek van de verdachte of zijn raadsman met ten hoogste een half uur verlengen, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet. Het onderhoud kan ook door middel van telecommunicatie plaatsvinden.
2. De verdachte, bedoeld in artikel 28b, eerste lid, kan slechts afstand doen van het in het eerste lid bedoelde onderhoud, nadat hij door een raadsman over de gevolgen daarvan is ingelicht.”
- Artikel 28d lid 1 Sv:
“Op verzoek van de aangehouden verdachte en de verdachte die is uitgenodigd om op een plaats van verhoor te verschijnen om te worden verhoord, kan de raadsman het verhoor bijwonen en daaraan deelnemen. Het verzoek wordt gericht aan de verhorende ambtenaar of de hulpofficier van justitie. De verhorende ambtenaar kan een verzoek van de verdachte of diens raadsman tot onderbreking van het verhoor voor onderling overleg afwijzen, indien door het voldoen aan herhaalde verzoeken de orde of de voortgang van het verhoor zou worden verstoord.”
- Artikel 43 lid 1 van Pro de Wet op de rechtsbijstand:
“In de gevallen waarin krachtens een wettelijk voorschrift in het Wetboek van Strafrecht of het Wetboek van Strafvordering voor een verdachte, veroordeelde of gewezen verdachte een raadsman door het bestuur wordt aangewezen of op last van de rechter door het bestuur wordt toegevoegd, is deze bijstand kosteloos, onverminderd het derde lid. De eerste volzin is niet van toepassing op de bijstand die door een aangewezen raadsman wordt verleend tijdens het in artikel 28d van het Wetboek van Strafvordering bedoelde verhoor van een verdachte van een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten.
- Artikel 2 van Pro de Regeling adviestoevoeging zelfredzaamheid (hierna: Ratz), zoals die gold ten tijde van het onder 2.3.2 bedoelde verhoor:
“Deze regeling heeft tot doel rechtshulp te faciliteren voor de rechtzoekende die in het kader van de Wet op de rechtsbijstand geen recht heeft op gesubsidieerde rechtsbijstand omdat gesteld wordt dat het een belang betreft, waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met behulp van een voorliggende voorziening.”
- Artikel 3 Ratz Pro:
“1. Indien het Juridisch Loket adviseert dat een rechtzoekende in aanmerking komt voor een Atz kan hij het formulier ‘diagnosedocument’ aan de rechtzoekende of de advocaat verstrekken.
2. Bij zijn advisering zoals bedoeld in het vorige lid toetst het Juridisch Loket aan het op basis van deze regeling opgestelde ‘Beleidskader Atz’.
3. De rechtzoekende kan met het in het eerste lid genoemde diagnosedocument de rechtshulp van een advocaat inroepen.
4. De advocaat vraagt met het formulier ‘Aanvraag Atz’ de Atz aan bij de Raad en overlegt daarbij het in het eerste lid genoemde diagnosedocument.
5. Indien de rechtzoekende op basis van de artikelen 34 tot en met 34b van de Wrb in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand is de rechtshulp voor de rechtzoekende kosteloos; er wordt geen eigen bijdrage opgelegd.
6. Rechtshulp op basis van een Atz wordt, als zijnde van onvoldoende belang, niet verleend indien het op geld waardeerbare belang beneden een bedrag van € 250,– blijft.
7. De advocaat kan de rechtzoekende geen kosten in rekening brengen.”
2.4.2
De toelichting op de Ratz houdt onder meer in:
“Mede door de uitkomsten van de Parlementaire Onderzoekscommissie kinderopvangtoeslag (POK) en de bredere signalen over zelfredzaamheid van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en de Vereniging Sociaal Advocaten Nederland (VSAN), is duidelijk geworden dat onvolkomenheden bestaan in het verlenen van rechtshulp en het verstrekken van (gefinancierde) rechtsbijstand, door in wet-, regelgeving en werkinstructies vervatte vermeende zelfredzaamheid van burgers. Ondanks dat er in veel zaken goede rechtshulp en rechtsbijstand wordt verleend door de juridische voorzieningen, kunnen door de toegenomen complexiteit in de samenleving burgers toch tussen wal en schip geraken. Op basis van ingebrachte en uitgevraagde casuïstiek hebben het Juridisch Loket (hJL), de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) in beeld gebracht waar mogelijke knelpunten zitten.
Het gaat hierbij om situaties waarin:
- verondersteld wordt dat bij een probleem van de burger dat niet juridisch complex is, de burger het daarom wel zelf, of met behulp van een derde kan oplossen. Er zijn echter dermate ingewikkelde of schrijnende situaties dat dit niet het geval is;
- verondersteld wordt dat de overheids- en uitvoeringsorganen responsief zijn maar waar dat niet het geval blijkt;
- verondersteld wordt dat er voldoende reikwijdte is van de eerstelijns rechtshulpvoorzieningen maar waar dat niet het geval is. Het kan hierbij gaan om gevallen waarin de complexiteit toch meer gespecialiseerde rechtshulp vereist, maar ook om situaties waarin de specifieke omstandigheden van de burger meer (intensieve) (rechts)bijstand vereist;
- onder de huidige wet- en regelgeving pas in een later stadium gefinancierde rechtsbijstand verstrekt kan worden, maar gezien de zwaarwegende gevolgen voor de burger vroegtijdige rechtsbijstand noodzakelijk is en in dat geval het geschil ook efficiënter opgelost kan worden.
De VSAN heeft bij brief van 10 februari 2021 aan de Tweede Kamer een aantal casussen in het kader van de zelfredzaamheid onder de aandacht gebracht. De Raad voor Rechtsbijstand is samen met Het Juridisch Loket en de NOvA aan de slag gegaan om aan de hand van de casuïstiek beter in beeld te brengen waar de knelpunten zitten en wat daaraan gedaan kan worden.
Voor Wrb gerechtigde burgers waarvan blijkt dat ze tussen wal en schip dreigen te komen wordt door bovengenoemde partijen een gezamenlijke aanpak ontwikkeld waarin wordt bezien hoe signalen hierover snel kunnen worden opgepakt waardoor deze burgers door het Juridisch Loket toch tijdig kunnen worden geholpen of doorverwezen naar de juiste professional.
Zaken waarbij dat volgens de huidige richtlijnen van de Raad voor Rechtsbijstand nu niet mogelijk is, die de huidige reikwijdte van de dienstverlening van de eerste lijn overstijgen of te complex zijn voor afhandeling in de eerste lijn worden gesignaleerd en daarvoor zal door de Raad tijdelijk aan advocaten een voor dit doel ingerichte variant van een lichte adviestoevoeging, de adviestoevoeging zelfredzaamheid (Atz) worden verstrekt. Mocht blijken dat een licht advies niet voldoende is om het probleem op te lossen omdat er bijvoorbeeld een procedure gevoerd moet worden, dan kan er omzetting gevraagd worden naar een (ruimere) toevoeging. In de door het Juridisch Loket uit te voeren diagnose wordt gecheckt of een zaak voldoet aan door de Raad en het Juridisch Loket (vanwege toetsing op uitvoerbaarheid) opgestelde ‘Beleidskader Atz’ om in aanmerking te komen voor een dergelijke Atz. Dit beleidskader zal worden gepubliceerd op de internetsite van de Raad, is geen limitatieve opsomming en zal waar nodig periodiek worden geactualiseerd.
(...)
Artikel 2
In het algemeen gedeelte van deze toelichting is de problematiek toegelicht. Het doel van deze regeling is om adequate en kosteloze gefinancierde rechtshulp te regelen voor de rechtzoekende die tussen wal en schip dreigt te vallen in verband met vermeende zelfredzaamheid in de huidige wet- en regelgeving van de gefinancierde rechtsbijstand (zie o.a. het tweede lid onder g van artikel 12 Wrb Pro en de artikelen 6 tot en met 8 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria).
Artikel 3
De Raad heeft in samenwerking met het Juridisch Loket een ‘Beleidskader Atz’ gemaakt voor uitvoering van deze regeling (Externe link: www.kenniswijzer.rvr.org).”
(Stcrt. 2023, 9791, p. 4-5.)
2.4.3
Het beleidskader van de Raad voor Rechtsbijstand voor de toekenning van een adviestoevoeging zelfredzaamheid houdt onder meer in:
“1. Kader
De ATZ geeft een burger toegang tot rechtsbijstand van een advocaat voor (indicatief) maximaal 3 uren.
De Raad toetst of de burger Wrb-gerechtigd is. De burger is echter voor deze hulp geen eigen bijdrage verschuldigd.
De burger of de advocaat vraagt aan het Juridisch Loket of een ATZ noodzakelijk is. In voorkomende gevallen kan het Juridisch Loket nader contact opnemen met de burger. Als het Juridisch Loket de burger kan helpen of kan doorverwijzen naar een andere voorliggende voorziening, dan wordt het probleem in de eerste lijn opgelost.
De burger kan in aanmerking komen voor een ATZ ná verwijzing door het Juridisch Loket, als voldaan wordt aan voorwaarde 1 in combinatie met voorwaarde 2 of 3:
1. De rechtshulp van het Juridisch Loket is, gelet op de huidige reikwijdte van de dienstverlening, niet toereikend én er bestaat volgens het beleid van de Raad (nog) geen recht op een toevoeging.
2. Er is sprake van geen tot beperkte zelfredzaamheid bij de betreffende burger. Zie voor de beschrijving hiervan in de ‘doelgroepenanalyse in het juridisch en sociaal domein’ dat in het kader van de stelselwijziging in opdracht van het ministerie van J&V is opgesteld;
a. Er is sprake van een situatie waarin het Juridisch Loket stelt dat de burger geen alternatieven voor hulp/ondersteuning buiten het Juridisch Loket heeft om het probleem adequaat op te lossen.
b. Het probleem betreft (als van toepassing) een financieel belang van minimaal € 250,- (analoog aan de LAT), dan wel een voldoende geobjectiveerd immaterieel belang.
3. Een ATZ kan tevens worden afgegeven als er sprake is van:
a. complexe (juridische) problematiek waarvoor het Juridisch Loket binnen de reikwijdte van de dienstverlening niet de benodigde rechtsbijstand kan verlenen;
b. (als van toepassing) een financieel belang van minimaal € 250,-, dan wel een voldoende geobjectiveerd immaterieel belang.
2. Eerste inventarisatie rechtsgebieden
De onderstaande opsomming van knelpunten en rechtsgebieden waarbinnen deze knelpunten worden geconstateerd is niet limitatief van aard.
(...)
2.8.2
Niet-aangehouden verdachte
Er wordt geen toevoeging verstrekt voor bijstand aan een niet-aangehouden verdachte.
Een voorbeeld. Een burger werd verdacht van mishandeling en had een ontbiedingsbrief ontvangen om zich te melden bij de politie voor verhoor. Hij was niet aangehouden en komt daarom niet in aanmerking voor de regeling strafpiket. De Raad voor Rechtsbijstand geeft dus aan dat een piketvergoeding voor rechtsbijstand voorafgaand aan politieverhoor alleen wordt verstrekt wanneer de verdachte is aangehouden.
Vroegtijdig advies van een specialist is vanwege de mogelijk verstrekkende gevolgen voor de rechtzoekende gewenst.
Conclusie
Als de kwestie binnen de beleidskaders valt, kan een ATZ worden verstrekt.”
2.4.4
In zijn arrest van 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:556 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“2.7.1 Artikel 6 lid Pro 3, onder c, EVRM kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Op grond van artikel 28 Sv Pro is de verdachte bevoegd zich te doen bijstaan door een gekozen of aangewezen raadsman.
2.7.2
De verdachte kan afstand doen van het recht op rechtsbijstand. In die mogelijkheid is voorzien in artikel 28a lid 1 Sv, dat een omzetting is van artikel 9 lid 1 Richtlijn Pro. Deze afstand moet vrijwillig en ondubbelzinnig worden gedaan door de verdachte. Waar het gaat om het doen van afstand in verband met het (eerste) politieverhoor, is van belang dat de verdachte ermee bekend is dat hij recht heeft op rechtsbijstand, dat hij wordt ingelicht over de gevolgen van het doen van afstand en dat hem wordt medegedeeld dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. De voorschriften van artikel 27c en 28a lid 2 Sv waarborgen dat de verdachte alle hiervoor relevante informatie wordt verstrekt.
2.7.3
Als zich feiten en omstandigheden voordoen die met zich brengen dat de verdachte niet in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen over het doen van afstand, is van vrijwillige afstand geen sprake.
2.8.1
Waar het gaat om het (eerste) politieverhoor van een aangehouden verdachte, geeft het Wetboek van Strafvordering voor een aantal gevallen aanvullende regels over de aanwijzing van een raadsman en het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Dat is onder meer het geval als de aangehouden verdachte vanwege bijvoorbeeld een psychische stoornis of verstandelijke beperking een kwetsbare verdachte betreft, zoals bedoeld in artikel 28b lid 1 Sv. Op grond van artikel 28b lid 1 Sv moet dan een raadsman worden aangewezen. De rechtsbijstand van deze raadsman is op grond van artikel 43 lid 1 Wrb Pro voor de verdachte kosteloos. Verder kan de kwetsbare verdachte in zo’n geval op grond van artikel 28c lid 2 Sv alleen afstand doen van het recht op bijstand door een raadsman voorafgaand aan het eerste verhoor nadat hij door een raadsman over de gevolgen van die afstand is ingelicht.
2.8.2
In het geval dat een verdachte die niet is aangehouden, door de politie wordt verhoord, voorziet het Wetboek van Strafvordering niet in vergelijkbare bepalingen over de aanwijzing van een raadsman ten behoeve van een kwetsbare verdachte en het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand door een kwetsbare verdachte. Door de minister voor Rechtsbescherming en de minister van Justitie en Veiligheid is het voornemen geuit de rechtspositie van niet-aangehouden kwetsbare verdachten te versterken (Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 4, p. 60). Met het oog daarop is op 23 januari 2024 een ontwerpwetsvoorstel voor een Wet versterking rechtsbijstand in het strafproces gepubliceerd, waarin onder meer nadere regels zijn opgenomen over rechtsbijstand van niet-aangehouden kwetsbare verdachten bij het (eerste) politieverhoor. Beoogd wordt hiermee invulling te geven aan de zorgplicht voor de bescherming van kwetsbare verdachten die voortvloeit uit Richtlijn 2013/48/EU (zie artikel 13 Richtlijn Pro en preambule onder 51).
2.8.3
De omstandigheid dat het Wetboek van Strafvordering (vooralsnog) niet voorziet in specifieke, op het (eerste) politieverhoor van een niet-aangehouden kwetsbare verdachte toegesneden bepalingen, doet er niet aan af dat het voor de beantwoording van de vraag of zo’n verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand in verband met het (eerste) politieverhoor, van belang kan zijn of de verdachte voorafgaand aan dat verhoor bijstand heeft gehad van een raadsman dan wel door een raadsman is voorgelicht over de gevolgen van het doen van afstand. Als daarvan geen sprake is geweest, moet de rechter zich er anderszins van vergewissen dat de verdachte – gegeven de concrete beperkingen die samenhangen met de kwetsbaarheid van de verdachte – redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over de mogelijke gevolgen van een afstand van het recht op rechtsbijstand en dus in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen over het doen van afstand.
2.9
Als de rechter vaststelt dat de verdachte weliswaar tijdens het opsporingsonderzoek te kennen heeft gegeven afstand te doen van het recht op rechtsbijstand voorafgaand of tijdens een verhoor, maar die afstand niet rechtsgeldig is omdat de verdachte als gevolg van de met zijn kwetsbaarheid samenhangende concrete beperkingen niet in staat was zijn wil te bepalen, is in beginsel sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Als daarover verweer wordt gevoerd, moet dat vormverzuim in de regel leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen die de verdachte zonder rechtsbijstand heeft afgelegd tijdens het (eerste) politieverhoor. Dat rechtsgevolg hoeft echter niet noodzakelijkerwijs aan het vormverzuim te worden verbonden als bewijsuitsluiting niet nodig is ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro, zoals daaraan mede door het EHRM uitleg is gegeven, waaronder in het bijzonder de arresten van 13 september 2016, nrs. 50541/08, 50571/08, 50573/08 en 40351/09 (Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk) en 9 november 2018, nr. 71409/10 (Beuze/België).”
Het oordeel van de Hoge Raad
2.5.1
Het hof heeft het verweer verworpen dat de verdachte niet rechtsgeldig afstand heeft gedaan van haar recht op rechtsbijstand. Daaraan heeft het hof allereerst ten grondslag gelegd dat de politie de verdachte niet onjuist heeft voorgelicht door haar mede te delen dat zij voorafgaand aan en tijdens het verhoor recht heeft op bijstand van een zelf te betalen raadsman. Hiertoe heeft het hof overwogen dat de verdachte niet was aangehouden en dat niet-aangehouden verdachten in beginsel alleen recht hebben op een zelf te betalen raadsman. Het hof heeft verder overwogen dat de verdachte aan de Ratz geen aanspraak op kosteloze consultatie- en verhoorbijstand kon ontlenen. Volgens het hof voorziet de Ratz in kosteloze rechtsbijstand wanneer “sprake is van complexe juridische vraagstukken die gespecialiseerde rechtshulp vereisen”. Naar het oordeel van het hof is daarvan in dit geval geen sprake. Hiermee heeft het hof miskend dat, gelet op het onder 2.4.3 weergegeven beleidskader van de Raad voor Rechtsbijstand, een adviestoevoeging zelfredzaamheid ook kan worden afgegeven wanneer sprake is “van geen tot beperkte zelfredzaamheid bij de betreffende burger”. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
2.5.2
Dit leidt echter niet tot cassatie. Uit het samenstel van de onder 2.4.1 weergegeven bepalingen volgt, zoals het hof terecht heeft overwogen, dat niet-aangehouden verdachten voorafgaand aan en tijdens het verhoor geen recht op kosteloze bijstand van een raadsman hebben. De Ratz biedt de Raad voor Rechtsbijstand de mogelijkheid om, op aanvraag, een adviestoevoeging zelfredzaamheid af te geven voor het verlenen van consultatie- en verhoorbijstand door een raadsman aan een niet-aangehouden verdachte, die deze bijstand in dat geval kosteloos ontvangt
.De verplichting op grond van artikel 27c lid 2 in samenhang met artikel 28 lid 1 Sv Pro om de niet-aangehouden verdachte mededeling te doen van het recht op rechtsbijstand, omvat niet de verplichting om die verdachte te informeren over de eventuele mogelijkheden van kosteloze rechtsbijstand, zoals die mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor een adviestoevoeging zelfredzaamheid voor de verlening van kosteloze consultatie- en verhoorbijstand. Gelet hierop heeft het hof kunnen oordelen, zoals het hof kennelijk heeft gedaan, dat de wettelijk voorgeschreven mededelingen zijn gedaan door de politie, wat er ook zij van de motivering van dat oordeel.
2.5.3
Het voorgaande neemt niet weg dat het wel zou aansluiten bij het in artikel 2 Ratz Pro geformuleerde doel, als de politie bij het uitnodigen van een verdachte voor verhoor de verdachte attent maakt op de mogelijkheid – als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan – van kosteloze consultatie- en verhoorbijstand op grond van de Ratz, bijvoorbeeld door de mogelijkheid om (tijdig) een hiertoe strekkende aanvraag in te dienen bij de Raad voor Rechtsbijstand te benoemen in de uitnodigingsbrief en in de brochure over de rechten van de verdachte
.
2.6.1
Aan de verwerping van het verweer dat de verdachte niet rechtsgeldig afstand heeft gedaan van haar recht op rechtsbijstand heeft het hof verder ten grondslag gelegd dat de verdachte niet als kwetsbaar hoeft te worden aangemerkt. Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Het hof heeft vastgesteld dat – zoals ook in het verhoor van de verdachte bij de politie naar voren is gekomen – bij de verdachte, die werd verhoord over mishandeling en bedreiging van een medewerker van de jeugdzorginstelling waar zij verbleef, sprake is van een autismespectrumstoornis, een dysthyme stoornis en een sociale stoornis, maar heeft er geen blijk van gegeven te hebben onderzocht of, gelet op die stoornissen, de verdachte redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over de mogelijke gevolgen van het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Gelet daarop kunnen de andere door het hof in aanmerking genomen omstandigheden – kort gezegd – over het vermogen van de verdachte om vragen te begrijpen en de indruk die de verdachte maakte op de terechtzitting in hoger beroep, het oordeel van het hof niet dragen.
2.6.2
Ook dit leidt echter niet tot cassatie. Het verweer van de verdediging dat de verdachte niet rechtsgeldig afstand heeft gedaan van haar recht op rechtsbijstand, strekte tot strafvermindering. Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden (vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rechtsoverweging 2.3.2). Omdat de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd niet voor het bewijs is gebruikt, heeft de verdachte in dit opzicht geen nadeel ondervonden van het ontbreken van rechtsbijstand bij het verhoor. De verdediging heeft in hoger beroep niet aangevoerd dat de verdachte hierdoor op andere wijze in haar verdediging is geschaad. Gelet daarop heeft het hof het tot strafvermindering strekkende verweer slechts kunnen verwerpen.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 juni 2026.