ECLI:NL:HR:2026:992

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
23/02524
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens gebrek aan bevoegdheid

De zaak betreft een beroep in cassatie ingesteld door A.P. Flinterman tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 mei 2023. De oorspronkelijke partij, aangeduid als [X], is op 21 augustus 2023 overleden. De Hoge Raad heeft de indiener van het cassatieberoep verzocht om binnen zes weken een bewijsstuk te overleggen waaruit blijkt dat hij gemachtigd was om namens [X] het beroep in cassatie in te stellen, dan wel een door alle erfgenamen getekende volmacht of een verklaring van de executeur-testamentair.

De indiener heeft niet voldaan aan dit verzoek, ook niet na een tweede gelegenheid daartoe. Hierdoor concludeert de Hoge Raad dat de indiener niet bevoegd was om het beroep in cassatie in te stellen. Op grond hiervan verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Het arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter en de raadsheren E.N. Punt en A.J. van Doesum, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging na het overlijden van de partij.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/02524
Datum19 juni 2026
ARREST
op het door A.P. Flinterman ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 mei 2023, nr. BK-ARN 21/00910 [1] .

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
Volgens het op 27 juni 2023 ontvangen beroepschrift in cassatie is het beroep in cassatie ingesteld namens [X]. [X] is op 21 augustus 2023 overleden.
1.2
De griffier van de Hoge Raad heeft op 30 november 2023 in het voor dit ingestelde cassatieberoep aangemaakte digitale dossier een bericht geplaatst waarbij de indiener van het beroepschrift is verzocht binnen zes weken een bewijsstuk te verstrekken waaruit blijkt dat [X] hem had gemachtigd om namens haar beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof in te stellen, dan wel een door alle erfgenamen getekende en aan hem verstrekte volmacht over te leggen, of – in het geval een executeur-testamentair is aangesteld – een verklaring van de executeur-testamentair waaruit blijkt wat de wens is van alle erfgenamen met betrekking tot de onderhavige procedure.
1.3
De indiener van het beroepschrift heeft de gevraagde machtiging of de hiervoor in 1.2 bedoelde verklaring, niet overgelegd, ook niet nadat de griffier van de Hoge Raad hem daartoe op 19 augustus 2025 opnieuw in de gelegenheid had gesteld. Daarom gaat de Hoge Raad ervan uit dat de indiener van het beroepschrift niet bevoegd was om namens [X] beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof in te stellen. De Hoge Raad zal het beroep in cassatie op die grond niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.